De Redactie

De Thaise Bostraditie en de Buddho-lijn

In het midden van de negentiende eeuw gaf een hervorming het Thaise kloosterleven een nieuw vorm. Prins Mongkut  die zevenentwintig jaar als monnik leefde voordat hij de troon besteeg als Rama IV, had van binnenuit gezien dat er een grote kloof was ontstaan tussen wat de Vinaya voorschreef en wat de kloostergewoonte was geworden. De orde die hij stichtte, de Dhammayut, riep op tot een striktere naleving van de kloosterregels, een zorgvuldigere bestudering van de Pali Canon en een terugkeer naar de teksten in plaats van naar de lokale gewoonten.

De hervorming droeg veel bij aan het herstel van discipline en geleerdheid. Wat echter geen enkele hervorming per decreet kan voortbrengen, is innerlijke verwezenlijking. Tegen het einde van de negentiende eeuw was het Thaise boeddhisme zo grotendeels een godsdienst van studie en ceremonie geworden. Meditatie was naar de achtergrond verdwenen, en het eigenlijke werk dat de teksten beschreven – gaan zitten en samādhi (concentratie) tot werkelijke diepte ontwikkelen – was in veel kringen vervangen door de theoretische bestudering ervan.

Het was in deze leemte dat de Thaise Bosstraditie haar intrede deed.

Ajahn Sao en de Wortels van de Traditie

De grondlegger van deze traditie was Ajahn Sao Kantasīlo (1861–1942), geboren in Ubon Ratchathani in het noordoosten van Thailand – de streek die de meeste grote leraren van de traditie zou voortbrengen. Als monnik van de Dhammayut-orde werd hij niet gekenmerkt door zijn institutionele positie maar door zijn beoefening. Hij was sober, streng en als leraar vrijwel stil.

Hij trok naar de bossen, hield de dhutaṅga (ascetische) disciplines in acht die de Vinaya toestaat, en leefde dicht bij de omstandigheden die de eerste monniken van de Boeddha gekend hadden: verblijven aan de voet van bomen, eenmaal per dag eten uit de bedelnap en gewaden dragen genaaid van weggegooid doek.

Ajahn Sao onderwees nauwelijks in woorden. Hij onderwees door wat hij was geworden, en door de directe begeleiding die hij gaf aan wie onder zijn leiding beoefende. Het meditatie-object waarop hij het meest steunde, en dat hij aan zijn leerlingen doorgaf, was het mantra buddho – de bewuste aandacht gericht op de Boeddha gevat in één herhaald woord. Zijn onderricht over het gebruik van buddho, bewaard door degenen die het meemaakten, behoort tot de vroegste directe verslagen van de beoefening in deze lijn. Vanaf de wortel af zijn de bostraditie en de buddho-beoefening dus onlosmakelijk met elkaar verbonden.

De meest invloedrijke leerling van Ajahn Sao was Ajahn Mun Bhuridatta.

Ajahn Mun en de Zwervende Decennia

Als Ajahn Sao de wortel was, dan was Ajahn Mun (1870–1949) de kracht die de traditie over de hele regio droeg. Ook in Ubon Ratchathani geboren, ontving hij zijn vroege opleiding onder Ajahn Sao en wijdde hij zich daarna aan tientallen jaren van zwervend en solitair beoefenen. Hij trok door de bossen en bergen van het noordoosten, Laos in, door centraal Thailand en door het noorden, waarbij hij jaren in de heuvels rond Chiang Mai doorbracht. Hij zocht afgelegen plekken op, juist omdat ze zwaar waren. De jungle is voor de bosmonnik geen decor maar een leraar. Het ontdoet je van comfort en afleiding totdat het bewustzijn geen plek meer heeft om zich te verbergen.

Net als zijn eigen leraar stelde Ajahn Mun buddho centraal in zijn methode. Hij liet zijn leerlingen het woord onophoudelijk vasthouden, het bewustzijn ermee vullen totdat het bewustzijn ermee samenkwam en stil werd. Zijn biografie, opgetekend door zijn leerling Ajahn Mahā Boowa, beschrijft deze beoefening openhartig: het woord meegedragen in elke houding en elk uur, de concentratie die verdiepte, de hindernissen die wegvielen. De beoefening was niet zacht. Ze was veeleisend, vol volharding en compromisloos – en ze bracht resultaten voort die serieuze beoefenaars zijn leven lang naar hem toe bleef trekken.

Zijn onderricht was veeleisend op de manier die alleen eerlijk onderricht kan zijn. Hij kon met een helderheid, die leerlingen vaak verontrustte, zien waar ieder van hen stond en wat hen belemmerde, en hij accepteerde enkel volledige toewijding aan de werkelijke beoefening. Sīla (moraliteit) moest werkelijk zuiver zijn. Samādhi moest werkelijk ontwikkeld worden, niet slechts begrepen. Wijsheid zou dan vanzelf volgen. Elke kortere weg op welk stadium dan ook betekende bouwen op een onstabiel fundament, en Ajahn Mun was genadeloos ten aanzien van onstabiele fundamenten.

De monniken die hij vormde verklaren veel van wat in de Thaise bosbeoefening tot op de dag van vandaag levend is – onder hen zijn Ajahn ThateAjahn Lee en Ajahn Mahā Boowa. Ieder van hen werd op zijn beurt een belangrijke leraar, en ieder droeg iets mee van wat hij ontvangen had.

Buddho Door de Generaties Heen

De mantra buddho was in de jungle nooit het enige object. Ajahn Mun en zijn leerlingen werkten ook met bewuste aandacht gericht op de ademhaling, de lichaamsdelen en de dood. Maar buddho had een centrale en terugkerende plek, en verscheidene leraren van de traditie schreven er direct over.

Onder hen was Ajahn Thate, een senior-leerling van Ajahn Mun die meditatie onderwees vanuit een lange persoonlijke beoefening. Zijn verslag van de buddho-beoefening zet de methode helder uiteen: herhaal buddhobuddhobuddho, en gebruik bewuste aandacht om het bewustzijn bij het woord te houden totdat het er rustig kan verblijven. Naarmate de concentratie verdiept, legt hij uit, valt de herhaling uiteindelijk vanzelf weg en laat daarna alleen de aandacht achter die het woord uitsprak – en die aandacht wordt het object.

Het meeste van wat hij schrijft betreft echter de weerstand van het bewustzijn. Zodra je het op buddho probeert te richten, gaat het ervandoor – naar onafgemaakt werk, naar familie, naar oude genoegens, naar allerlei angst – en zijn raad is eenvoudig: breng het terug, keer op keer, zonder haast. Hij vergelijkt het met een rijstboer: je kunt de stappen niet overslaan, en je kunt niet aan de planten trekken om ze sneller te laten rijpen. Bovenal waarschuwt hij tegen het verlangen naar resultaten. “Verlangen,” schrijft hij, “is het ernstigste obstakel voor het geconcentreerde bewustzijn.” En hij is helder over waarheen de hele inspanning leidt. Concentratie is het fundament zonder welk onderscheidingsvermogen geen kracht heeft; inzicht is niet iets wat door opzettelijk toedoen tot stand wordt gebracht, maar iets dat opkomt uit concentratie zodra die stevig staat.

Wat het woord zijn bijzondere gewicht geeft, is datgene waarnaar het verwijst. Buddho is een vorm van buddhānussati (bewuste aandacht gericht op de Boeddha), en het draagt de kwaliteiten van een ontwaakt bewustzijn als zijn inhoud. Mediteren op buddho is niet je concentreren op een neutraal steunpunt, zoals men de aandacht zou kunnen richten op een gekleurde schijf of de ademhaling. Het woord verwijst bij elke herhaling naar de zuiverheid, wijsheid en vrijheid van de Boeddha. Naarmate de concentratie verdiept en het bewustzijn dichter bij zijn object komt, verdiept ook de verbinding met die kwaliteiten zich. De bosleraren begrepen dit. De mantra was niet slechts een hulpmiddel om het bewustzijn tot stilte te brengen; het was de relatie met de kwaliteiten zelf die de beoefening beoogt te ontwikkelen.

Ajahn Chah en de Weg naar de Wereld

Van de leraren die deze traditie droeg, was Ajahn Chah (1918–1992) degene die haar in het breedste contact met de wereld bracht – en dat deed zonder er ook maar enigszins afbreuk aan te doen. Zijn eigen ontmoeting met Ajahn Mun was kort, een kwestie van enkele dagen, maar beslissend in het oplossen van de twijfels die zijn beoefening hadden achtervolgd, en in het uitzetten van zijn koers. Opmerkelijk is dat hij behoorde tot de Mahānikāya, de grotere van de twee Thaise kloosterorden, en niet tot de orde waartoe Ajahn Sao en Ajahn Mun behoorden. Met andere woorden, de Bostraditie heeft nooit tot één enkele nikāya behoord. Wat haar bijeenhield was beoefening, niet institutionele gebondenheid.

Ajahn Chah had het zeldzame vermogen de strengheid van de bosbeoefening als uitgangspunt te nemen en haar werkelijk toegankelijk te maken zonder het pad zelf te vereenvoudigen. Hij vond taal en voorbeelden die leken, jonge monniken en westerlingen zonder diepgaande achtergrond in de boeddhistische geschriften werkelijk konden ontvangen. Zijn klooster, Wat Nong Pah Pong, werd een centrum van beoefening, en zijn bijklooster Wat Pah Nanachat werd specifiek opgericht om westerse kloosterlingen te vormen. Via zijn westerse leerlingen – met Ajahn Sumedho als een van de eersten – bereikte de traditie Noord-Amerika, Australië,  Groot-Brittannië en continentaal Europa.

Ajahn Chah toonde ook iets dat verder ging dan zijn onderwijsmethode: de bereidheid echte verwezenlijking te erkennen waar ze ook verscheen, ongeacht lijn of label. De Dhamma was wat telde, en haar aanwezigheid kon over elke grens heen worden erkend. De monniken die zijn traditie voortzetten hebben die eigenschap bewaard. Het is rechtstreeks van belang voor de toekenning die Ahba van hen heeft gekregen.

Een Leraar Onder Meesters

Ahba – Luang Por Opart – komt uit een parallelle en diep verwante stroom. Hij is Birmees, en zijn vorming als meditatiebeoefenaar vond plaats in Myanmar, niet in de Thaise lijnen. Zijn beoefening is samatha, gebouwd op dezelfde overtuiging die door de Bostraditie loopt: dat werkelijke concentratie moet worden ontwikkeld voordat inzicht kan volgen, en dat de diepte van het fundament de stabiliteit bepaalt van alles wat erop wordt gebouwd. De buddho-beoefening die op deze site wordt onderwezen loopt via Ahba, en draagt dezelfde grondbeginselen mee waarop de Thaise bosleraren stonden. Ahba heeft wel eens aangegeven dat een beoefenaar via enkel deze beoefening, mits nagestreefd met voldoende geduld en inspanning, de veilige haven van Nibbāna(Nirvana) kan bereiken zonder van meditatie-object te hoeven wisselen.

Ahba vluchtte in de jaren tachtig uit Myanmar. Na honderden kilometers door de Thaise jungle te hebben gelopen, vestigde hij zich als abt van een klein houten klooster op het platteland van Noord-Thailand, dat sindsdien is uitgegroeid tot een van de grootste van de regio. Zijn Pali-school, waar de monniken de taal van de oude teksten bestuderen, staat al jaren nationaal op de eerste plaats bij de examens, wat hem een koninklijke onderscheiding heeft opgeleverd. De onderscheidingen zijn, in het licht van zijn werkelijke aanzien, echter bijzaak.

Dat aanzien blijkt het duidelijkst uit het respect van andere vaardige beoefenaars – iets wat geen reputatie kan fabriceren, en wat een beoefenaar wiens eigen bewustzijn tot diepte is ontwikkeld herkent zodra hij het ziet. Monniken reizen uit het hele land om hem eerbetoon te bewijzen en zijn begeleiding te vragen bij hun beoefening, onder hen gerespecteerde meditatieleraren en vermeende arahants. Monniken uit de Ajahn Chah-traditie bezoeken hem regelmatig, niet alleen uit respect maar ook om onderricht te ontvangen over meditatie. Dit zijn kloosterlingen uit een van de meest serieuze lijnen in de hedendaagse Theravāda-wereld, en hun eerbied wordt niet lichtvaardig gegeven. Maar ook Phra Khrūbā Boonchum – een van de meest geëerbiedigde ascetische monniken van de bredere Mekong-regio, die zowel door Thais, Shan en Birmezen in de hoogste achting wordt gehouden – heeft Ahba  bezocht om hem respect te betuigen.

De gemeenschap rondom Ahba weerspiegelt dezelfde onverschilligheid ten opzichte van nikāya-grenzen die de Bostraditie altijd heeft gekenmerkt. Het klooster herbergt monniken die de strenge dhutaṅga-disciplines in acht nemen naast monniken van de Mahānikāya die de standaardregel volgen. Beide beoefenen onder dezelfde leraar, en beide ontvangen hetzelfde heldere onderricht. Je wordt precies verder geholpen vanaf het punt waar je bent.

Een Levende Traditie

Wat door deze hele lijn loopt – van Ajahn Sao die stil zit in een noordoostelijk woud, door de zwervende decennia van Ajahn Mun, door de leraren die hij vormde en de traditie die Ajahn Chah naar het Westen droeg – is één enkel aandringen: het pad moet worden belopen, niet beschreven. De teksten worden serieus genomen. De geschiedenis is echt en de moeite waard om te kennen. Maar geen van beide zuivert een bewustzijn.

Theravāda-boeddhisme is in zijn fundament een traditie van beoefening, en het geleidelijke pad dat het onderwijst is geen opeenstapeling van concepten maar een beschrijving van hoe een menselijk bewustzijn werkelijk wordt getransformeerd: sīla als de grond zonder welke samādhi geen wortel kan schieten, samādhi als het hart van het werk, en paññā (wijsheid) dat vanzelf opkomt in een bewustzijn dat helder en zuiver is geworden. De Bostraditie heeft dat meer dan een eeuw lang generatie na generatie doorgegeven, door beoefenaars die gingen zitten en het werk deden.

Dat werk gaat door. In een bosklooster in Noord-Thailand verblijven de ascetische monniken bij de bomen en de bedelnappen, de Mahānikāya-monniken in de zaal, en komen bezoekers van over de hele boeddhistische wereld om te leren. Ahba woont nog altijd in dezelfde houten kuṭi (huisje) als altijd. En op een gegeven moment – zoals in deze lijn al meer dan honderd jaar – doet iemand zijn ogen dicht, houdt het bewustzijn bij de Boeddha, herhaalt hetzelfde woord dat Ajahn Sao aan Ajahn Mun gaf, luistert naar het geluid, en laat het geluid het bewustzijn naar huis dragen.


Wil je beginnen met mediteren of ben je op zoek naar meer verdieping?
Wij bieden persoonlijke begeleiding, volledig op donatie basis.

Gratis Meditatiecursus

Je moet zelf de inspanning leveren, de Boeddhas wijzen slechts de weg

Boeddha, Dhp 276