Ledi Sayadaw

Vijjāmagga Dīpanī: Handleiding naar het Pad van Hogere Kennis

Vijjāmagga Dīpanī: Handleiding naar het Pad van Hogere Kennis

Wat in deze tekst van de Ledi Sayadaw staat, zou bijna als een sprookje kunnen lezen, iets dat ver afstaat van wat in onze huidige maatschappij voor mogelijk en waar wordt gehouden.

Toch is wat hier verteld wordt waar en behoort het zeer zeker tot de mogelijkheden van het menselijke bewustzijn. Maar het komt niet zomaar naar je toe, je moet er hard voor werken. Iedere dag.

Als je als mens het pad wilt betreden dat de Ledi Sayadaw beschrijft, dan zijn daar stevige voorwaarden aan verbonden, die je voortdurend moet ontwikkelen.

Om er maar een paar te noemen: je hebt een onwankelbaar vertrouwen in de Boeddha en zijn leer nodig, je lichaam en bewustzijn moeten gezond zijn, je moraliteit moet vanzelfsprekend zijn, je moet de ontwikkeling van je bewustzijn als het voornaamste doel van je leven beschouwen en je voortdurend bezighouden met de beoefening van meditatie waarbij je het bewustzijn kalmeert en krachtig maakt zodat je het ontstaan en vergaan van mentale en fysieke verschijnselen uit eigen ervaring waar kunt nemen.

Wij moedigen alle lezers aan om elke dag te proberen dit doel te bereiken. Beoefen met geduld en ook jij zult je bewustzijn ontwikkelen tot een punt dat je op dit moment misschien nog niet voor mogelijk houdt.

Dat gezegd hebbende hopen wij dat deze tekst je veel inspiratie en motivatie zal brengen op je reis. Heel veel succes.

– De Redactie van Stichting Buddho

Inhoudsopgave

  1. Inleiding van de Handleiding van het Pad naar Hogere Kennis
  2. Voorwoord van de Redacteur bij de Handleiding van het Pad naar Hogere Kennis
  3. Vijjāmagga Dīpanī: Handleiding naar het Pad van Hogere Kennis
  4. Vijf Soorten Hogere Kennis
  5. De Gunstige Periode van de Sāsana
  6. Wie Kan Hogere Kennis Bereiken?
    1. Het Eerste Kenmerk
    2. Het Tweede Kenmerk
    3. Het Derde Kenmerk
    4. Het Vierde Kenmerk
    5. Het Vijfde Kenmerk
    6. De Kenmerken van de Opperste Inspanning
    7. Drie Soorten Hogere Kennis van Nobelen
  7. De Matrix
  8. Eeste Item van de Matrix
    1. De Vier Grote Primaire Elementen
    2. Het Echte Aarde-Element in de Ultieme Betekenis
    3. De Potentie van het Aarde-Element
    4. Bewijs Ondersteund door Karakteristieken
    5. Kenmerken van de Hardheid in het Licht, enz
    6. Het echte Water-Element in de Ultieme Betekenis
    7. Het Begrijpen van het Vuur-Element
    8. Het Wind-Element in de Ultieme Betekenis
    9. Onderlinge Afhankelijkheid tussen Elk van de Vier Grote Primaire Elementen
    10. Buiten het Bereik van het Speculatieve Denken
  9. Tweede Item van de Matrix
    1. De Zes Spiegelachtige Elementen
    2. Twee Soorten Deuren
    3. De Rumte-Deur
    4. Gelijktijdigheid bij het Optreden van Gebeurtenissen
    5. Beschouwing van de Impact op het Oog en de Bewustzijnsbasissen
    6. Beschouwing van de Impact op het Oor en de Bewustzijnbasissen
    7. Beschouwing van de Impact op de Andere Basissen
    8. Beschouwing van de Impact op het Gevoelige Lichaamsorgaan
    9. Het Spiegelachtige Elememt van de Bewustzijnsbasis
  10. Derde Item van de Matrix
    1. Thermische Condities of Temperatuur
    2. De Wereld van Bewuste Wezens
    3. De Wereld van Geconditioneerde Dingen
    4. De Soorten Vuur-Element
    5. Brandend en Verdwijnend
    6. Ultieme Realiteiten
    7. Het Concept van Continuïteit
  11. Vierde Item van de Matrix
    1. De Tien Soorten Voeding
    2. De Twee Soorten Essentie
    3. De Gelijkenis van de Regenboog
    4. Het Olie-Essentie-Element
    5. De Aarde-Olie Gelijkenis
    6. De Verzwakking van de Lichamelijke Krachtt
    7. Hoe het Olie-Essentie-Element aan de het Hele Lichaam wordt Geleverd
  12. Vijfde Item van de Matrix
    1. Het Proces van Primaire Oorsprong
    2. De Consumptieve Aard van hett Vuur-Element
    3. De Moeilijkheid om het Lichaam-Bewustzijn-Proces in Stand te Houden
    4. Het Principe van Veranderde Oorsprong
    5. De Gelijkenissen van het Slangengif en de Buskruitraket
    6. Angst en Zorgen als Gevolg van Vernadering
    7. De Gelijkenis van de Klomp Was
    8. De Hogere Kennis van de Waarheid van Vergankelijkheid
  13. Zesde Item van de Matrix
    1. Het Proces van Kortstondig Verval
  14. Zevende Item van de Matrix
    1. Het Proces van Kortstondige Dood
    2. De Enorme Snelheid van het Proces van Ontstaan en Vergaan
    3. Het Ontelbare Keren Zien van Ontelbare Veranderingen
  15. Achste Item van de Matrix
    1. Het Gevaar van Vergankelijkheid
  16. Negende Item van de Matrix
    1. Het Enorme Lijden
    2. De Last van Eten
    3. Radicale Verandering in Kortstondige Stadia van Moment tot Moment
    4. De Gelijkenis van de Kerker van de Koning met Brandende Inferno’s
    5. De Problemen en Ergernissen van de Verdienstelijke Activiteiten, enz
  17. Tiende Item van de Matrix
    1. Dit Lichaam is Zonder Ego
  18. Epiloog
  19. Een Korte Biografie van Ledi Sayādaw
  20. Voetnoten

Inleiding van de Handleiding van het Pad naar Hogere Kennis

Er zijn nuances in de betekenis van Pali woorden conform de context waarin ze worden gevonden. Zo kan het woord nāma ofwel een ‘naam’, of een ‘bewustzijnsfenomeen’, betekenen en het woord rūpa kan ofwel een visueel object betekenen, ofwel een ‘fysiek fenomeen’. Er werd veel schade aangericht toen sommige Westerse Pali-geleerden in het Engels de Pali term, nāma-rūpa als ‘naam en vorm’,[i] vertaalden in plaats van ‘bewustzijn en materie’. Deze grove fout blijft bestaan in vele latere vertalingen die ‘afstammelingen’ zijn van de bovengenoemde pioniers van de negentiende eeuw. Naast de nuances van betekenis zoals hierboven beschreven, heeft elk Pali woord dat in het boeddhisme gebruikt wordt twee karakters, d.w.z. het karakter dat in relatieve of conventionele waarheid (sammutisacca) en degene die getoond wordt in absolute waarheid of ultieme realiteit (paramattha-sacca).

Ervaren schrijvers zijn zich terdege bewust van de moeilijkheden waar ze tegen aan lopen en van het falen van hun voorgangers, om boeddhistische ideeën over te brengen door het medium van een taal die geen exacte equivalent heeft voor de woorden die de boeddhistische filosofie vereist. Dit verklaart misschien het feit dat er tal van vertalingen zijn van beroemde boeddhistische teksten zoals de Maṅgala Sutta en de Dhammapada en geen twee van hen zijn precies gelijk in de keuze van woorden, uitdrukkingskracht, stijl of ritme.

Nu, zich bewust van deze gevaren, heeft Dr. Edward Conze, een geleerde van Pali, Sanskriet en Tibetaanse talen, zijn boek Boeddhistische teksten door de eeuwen heen (Oxford, 1954), van een voorwoord voorzien met de opmerking dat “de Engelse hier geadopteerde equivalent alleen beschouwd kan worden als een noodoplossing”. Hij zegt, dat het “onmogelijk is een Engelse term te vinden die de hele rijkdom van betekenis van een term als ‘moha’ bevat en beschrijft”. Zulke moeilijkheden, geeft hij toe, “zijn inherent aan elke vertaling”.

Om dergelijke moeilijkheden tot een minimum te beperken en de noodzaak te vermijden dat de lezer verwezen wordt naar een verklarende woordenlijst van technische termen die aan het einde van het boek worden voorzien, of aan de voetnoten aan het einde van elke pagina met de hulp van sterretjes, heb ik de originele Pali termen cursief onmiddellijk na het Engelse equivalent gedrukt. In dit werk, is geen Pali term (behalve Boeddha, Nibbāna en Sāsana) onvertaald gelaten en het is te hopen dat de lezer deze methode goedkeurt. Een index is verstrekt als een bijlage, die ook kan dienen als een woordenlijst van technische termen.

Al het mogelijke is gedaan om een vertaling net zo echt als mogelijk weer te geven. Ik heb speciale aandacht besteed aan de verschillen in de constructie van zinnen tussen Engels en Birmees, en, zoals een andere vertaler het stelt, de voorliefde van de Eerwaarde Sayādaw voor het gebruik van extreem lange zinnen. Veel van de alinea’s en ondertitels staan niet in de oorspronkelijke tekst, noch de versterkte versies zoals de acht bereikingen (samāpatti), de tien stadia van inzicht-kennis (vipassanā-ñāṇa), en het vuur van het verval (jarā) en de dood (maraṇa). Ze zijn hier geïntroduceerd om de Engelse lezer te helpen.

– U Pu, Birma

Voorwoord van de Redacteur bij de Handleiding van het Pad naar Hogere Kennis

Ik beschouwde het als een groot voorrecht dat toen ik U Pu voor het eerst ontmoette in Rangoon, in 1981-82, in het huis van mijn toenmalige gastheer en gastvrouw U Tha Win en Daw Khin Ma Ma, dat hij zo vriendelijk en gemakkelijk zich ertoe heeft verbonden de Vijjāmagga Dīpanī van Ledi Sayādaw in het Engels te vertalen. (Een Handboek van het pad naar hogere kennis), nadat het hem werd gesuggereerd.

Toen ik U Pu weer ontmoette op een tegenbezoek aan Birma aan het einde van 1984, verkeerde hij in een kritieke gezondheidstoestand, en het was met zeer veel spijt dat ik na mijn terugkeer in Engeland begin 1985 heb vernomen dat hij ergens eind 1985 of begin 1986 was gestorven. Door zijn slechte gezondheidstoestand voor zijn dood, was ik niet in staat geweest met hem te overleggen over verschillende zaken die misschien verder opgehelderd zouden zijn.

Mijn oprechte dank gaat echter uit naar de Eerwaarde Sayādaw U Ñāṇika voor zijn nuttige suggesties en opmerkingen over verschillende van de betrokken punten die ik met hem heb besproken.

Het verzoek van U Pu dat ik moest proberen om het Engels van zijn vertaling, waar ik dacht dat het nodig was te polijsten, kostte veel meer tijd dan ik oorspronkelijk had gedacht. Ongetwijfeld is er nog ruimte voor veel verbetering, maar dit zal nu moeten wachten op het resultaat van een herziene editie of misschien een geheel nieuwe editie op een of andere toekomstige datum.

– S. S. Davidson, Southsea, 1996

Vijjāmagga Dīpanī: Handleiding naar het Pad van Hogere Kennis

Namo Tassa Bhagavato Arahato Sammā Sambuddhassa

Verering voor de Verhevene, de Waardige, de Perfect Verlichte

Vijf Soorten Hogere Kennis

Hogere kennis kent vijf soorten:

  1. Meesterschap in de Brahmaanse overlevering (veda-vijjā)
  2. Meesterschap in de kunst van bezweringen en spreuken (manta-vijjā)
  3. Meesterschap in het uitvoeren van diverse prestaties met een bovenwerelds karakter (gandhārī-vijjā)
  4. Meesterschap in wereldse paranormale krachten (lokiya-vijjā)
  5. Meesterschap in bovenwereldse kennis van de Vier Edele Waarheden (ariya-vijjā).

(1) Meesterschap in de Brahmaanse overlevering betekent begiftigd zijn met de kennis van de vier Veda’s, namelijk:

  • Kennis van de heilige Brahmaanse liederen, toewijding, aanbidding, en profetie (Sāma-veda)
  • Kennis van de offerformule (Yaju-veda)
  • Kennis van de mystieke en occulte krachten (Iru-veda)
  • Kennis van de Code van de Magie, bijzondere gebeurtenissen en wonderen, enz. (Athabbaṇa-veda)

(2) Meesterschap in de kunst van bezweringen en spreuken betekent, dat men begiftigd is met de kennis van de volgende kunsten en wetenschappen:

  • Handleeskunde of chiromantische wetenschappen
  • De toekomst voorspellen door middel van voortekenen en tekenen
  • Voorspellen van gebeurtenissen door te kijken naar de beweging van de hemellichamen
  • Toverformules, bezweringen en spreuken
  • Medische praktijk en farmacologie
  • Bepalen van de voedings- en andere waarden
  • Alle andere kennis en vaardigheden die zijn ontwikkeld in de huidige wereld

De twee hogere vormen van kennis, die hierboven zijn beschreven, worden in het hoofdstuk ‘Kennis’ van het Analyseboek (Ñāṇavibhaṅga) van de Hogere Leer (Abhidhamma) genoemd.

(3) Meesterschap in het uitvoeren van verschillende prestaties van bovenwereldse aard betekent dat je begiftigd bent met de volgende kennis en bevoegdheden:

  • het maken van schatten (dhana-siddhi)
  • het duiken in de aarde en weer opstijgen als in het water (paṭhavī-siddhi)
  • op water lopen zonder te zinken, net als op aarde (udaka-siddhi)
  • zweven door de lucht als een gevleugelde vogel (ākāsa-siddhi)
  • het verlengen van het leven buiten de normale levensduur (āyu-siddhi)
  • het uitoefenen van bovenwereldse wilskracht (cintāmaya-siddhi)

Deze hogere kennis (vijjā) en krachten (siddhi) zijn genoemd in oude boeken over tovenaars (vijjādhara), die van de volgende soort zijn:

  • De tovenaar met de hogere kennis van de geneeskunde
  • De tovenaar met de hogere kennis van diagrammen en numerologie
  • De tovenaar met de hogere kennis van de metallurgische kunst van het omzetten van kwik in de ‘steen der wijzen’ of ‘elixer’
  • De tovenaar met de hogere kennis van de metallurgische kunst om basisijzer in goud of andere kostbare metalen om te zetten

Deze occulte krachten komen overeen met de bovenwereldse krachten van hemelse wezens en ook met de hogere mentale krachten (abhiññā). In de Pali tekst, in Het Pad van het Onderscheid (Paṭisambhidāmagga), wordt de volgende passage gevonden:

Van deze tien soorten paranormale krachten, wat is de psychische kracht genaamd ‘bovenwereldse wilskrachten’ (cintāmayaiddhi)? Met de term ‘bovenwereldse wilskrachten’ worden de fenomenen bedoeld die de tovenaar door het reciteren van spreuken kan manifesteren in de oneindige ruimte van de hemel, zoals een troep oorlogsolifanten die voorbij stampen, een groep cavalerie die voorbij galopperen, een groep oorlogsrijtuigen die wegrijden en een groep gewapende soldaten die voorbij marcheren. De tovenaar kan ook een verscheidenheid aan bewapende soldaten groeperen of een heel leger creëren en tentoonstellen in de oneindige ruimte van de lucht. Dit is inderdaad wat bedoeld wordt met de term ‘bovenwereldse krachten van de wil.’

(Deze gelijkenis in de Pali teksten betreffende de term, cintāmayaiddhi, geldt met dezelfde kracht ook voor andere soorten paranormale krachten zoals meesterschap in de kunst van het verlengen van het leven na de normale levensduur (āyu-siddhi, van het zweven door de lucht met gekruiste benen als een vogel (ākāsa-siddhi) van het lopen op water zonder te zinken net als op aarde (udaka-siddhi) van het duiken in de aarde en weer opstijgen net als in water (paṭhavī-siddhi), enzovoort.)

In de moderne tijd, moet een aspirant-tovenaar met meesterschap in bovenwereldse prestaties (gandhārī-vijjā) zichzelf altijd laten inspireren met de sublieme deugden van de Drie Onbetaalbare Juwelen, namelijk (1) de Verlichte (2) de Wet van Verlossing door hem ontdekt, gerealiseerd en verkondigd en (3) de Gemeenschap van de Heilige Discipelen en degenen die in overeenstemming met de Wet leven. Zij moeten de goede wil en genegenheid van zulke machtige goden zoeken zoals:

  • Bosgoden
  • Heuvelgoden
  • Boomgoden (rukkhattha-devatā)
  • Aardgoden (bhūmattha-devatā)
  • Berggoden (pabbattha-devatā)
  • Goden die verantwoordelijk zijn voor toverspreuken, bezweringen, magische diagrammen, en numerologie (vijjā-devatā)
  • Goden die verantwoordelijk zijn voor geneeskrachtige kruiden, stenen en edelstenen met genezende krachten (osadhi-devatā)

Een tovenaar met meesterschap over bovenwereldse prestaties blinkt zelfs uit in de bovenwereldse faculteiten van goden die voortkomen uit de resultaten van hun verdienstelijke daden (kamma-vipākajā iddhi) uit het verleden. Dit kan leiden tot het opwekken van jaloersheden die het leven of de werkzaamheid van medicinale kruiden in gevaar kunnen brengen.

(4) Meesterschap in wereldse paranormale krachten betekent de bereikte krachten door kluizenaars (isis, rishis) zoals Sarabhaṅga, Sunettha, en Araka, buiten de periode van een Sāsana van de Boeddha na een beheersing van de mentale absorpties door de uiterste perfectie in de praktijk van de kasiṇa concentratie-oefeningen. Deze psychische krachten zijn de volgende magische krachten (iddhi-vidhā-abhiñā):

  • Het goddelijke oog (dibba-cakkhu)
  • Het goddelijke oor (dibba-sota)
  • Penetratie van het bewustzijn van anderen (cetopariya)
  • Herinnering aan de vele vroegere levens (pubbe-nivāsa)
  • Kennis van specifieke vergelding (yathā-kamm’upaga)
  • Kennis van toekomstige gebeurtenissen (of voorspellingen) (anāgataabhiññā)

(De verhalen van tovenaars die deze paranormale krachten uitoefenden zijn prominent aanwezig in vele Geboorteverhalen (jātaka) en Verzamelde Verhandelingen (nipāta).)

De uitoefening van deze wereldse paranormale krachten (lokiyaabhiñā- vijjā) wordt ook geassocieerd met de Zelfverlichte Boeddha’s (sammā-sambuddha), de Boeddha’s die geen les geven (pacceka-buddha), en de Nobele Discipelen (ariya-sāvaka). Deze paranormale krachten worden omarmd binnen de drievoudige hogere kennis (te-vijjā) en ook binnen de achtvoudige hogere kennis die door de Zelf-Verlichte Boeddha´s, de Boeddha’s die geen les geven en de Nobele Discipelen bereikt kan worden:

  • Inzicht-kennis (vipassanā-ñāṇa)
  • Kennis met betrekking tot bovenwereldse wilskracht (cintāmaya-siddhi)
  • Kennis met betrekking tot paranormale krachten (abhiññā)
  • Kennis met betrekking tot het goddelijk oor (dibba-sota)
  • Kennis met betrekking tot de penetratie van het bewustzijn van anderen (ceto-pariya-ñāṇa)
  • Kennis met betrekking tot de herinnering aan vorige levens (pubbe-nivāsa-ñāṇa)
  • Kennis met betrekking tot het verdwijnen en opnieuw verschijnen van wezens (dibba-cakkhu)
  • Kennis met betrekking tot de vernietiging van alle verontreinigingen (āsavakkhaya- ñāṇa)

(5) Meesterschap in bovenwereldse kennis van de Vier Edele Waarheden betekent dat je begiftigd bent met de:

  • Hogere kennis van de waarheid van de vergankelijkheid (aniccavijjā)
  • Hogere kennis van de waarheid van het lijden (dukkha-vijjā)
  • Hogere kennis van de waarheid van onpersoonlijkheid en voorwaardelijkheid (anatta-vijjā)
  • Hogere kennis van de waarheid van het pad dat leidt naar de vernietiging van het lijden (magga-vijjā)
  • Hogere kennis van de vrucht van ‘pad-resultaat’ (phala-vijjā)

Ze kunnen ook ‘hogere kennis van de Vier Edele Waarheden’ genoemd worden. Deze ‘hogere kennis van de Vier Edele Waarheden’ kan alleen worden bereikt tijdens de periode van de Sāsana van de Boeddha. Buiten die periode, d.w.z. tijdens de ‘donkere tijden’, is niemand onder de mensen, wezens, goden of de hemelse wezens van de Brahma-wereld, met uitzondering van de Boeddha’s die geen les geven (pacceka-buddha), in staat om een succesvolle poging te doen om deze hogere kennis te verwerven.

De Gunstige Periode van de Sāsana

De Sāsana van Gotama Boeddha, waarvan werd voorspeld dat deze vijfduizend jaar zal duren is een gunstige periode waarin een succesvolle poging kan worden gedaan om de hogere kennis van de Nobelen te verwerven, d.w.z. de hogere kennis van de Vier Edele Waarheden (ariya-vijjā).

Alleen een persoon die een succesvolle poging heeft gedaan en deze hogere kennis heeft verworven kan worden beschouwd als iemand die de het opperste geluk om een Boeddha te ontmoeten en hem te vereren of iemand die het opperste geluk heeft gehad om de Sāsana van een Boeddha mee te maken in de loop van de eeuwigheid.

In de Itivuttaka verklaarde de Boeddha:

“Monniken, zelfs al zou een monnik de rand van mijn buitenste mantel vasthouden en dicht achter me lopen, stap-voor-stap, maar als hij de Leer van de Vier Edele Waarheden niet kent, dan is hij ver weg van mij, en ik ben ver weg van hem. Maar, monniken, als een monnik zelfs op honderd yojana’s afstand zou verblijven (elke yojana is ongeveer zeven mijl), maar als hij de Leer van de Vier Edele Waarheden kent, dan is hij bij mij en ik dicht bij hem. Waarom? Monniken, die monnik ziet de Leer (Dhamma). Als hij de Leer ziet, ziet hij mij.” (It 92)

Uit deze verhandeling kan worden afgeleid dat iemand die de Verlichte (Boeddha) niet tegengekomen zijn of gezien hebben, noch de Wet (Dhamma) ontdekt en verkondigd door hem, kan die persoon niet worden geacht de Gemeenschap van de Heilige Discipelen (Saṅgha) te zijn tegengekomen en te hebben gezien.

Wie Kan Hogere Kennis Bereiken?

 Welk type persoon kan een succesvolle poging doen en de hogere kennis van de Nobelen tijdens de periode van de huidige Sāsana van de Boeddha?

De Boeddha heeft verklaard dat een persoon die begiftigd is met de volgende attributen een succesvolle poging kunnen doen en de hogere kennis van de Nobelen verwerven:

  1. Absoluut vertrouwen hebben in de Verlichte
  2. Sterk en gezond zijn in zowel in de energie als de ledematen van het lichaam
  3. Het hebben van een vrijgevig en rechttoe rechtaan karakter
  4. Begiftigd zijn met een scherpe en standvastige energie en
  5. De kennis hebben met de kracht van penetratie in het proces van het ontstaan en vergaan van de mentale en fysieke verschijnselen van de vijf aggregaten (khandha)

Deze verklaring is opgenomen in onder andere de geschriften van Aṅguttara. Nikāya (AN 5:135) en andere.

De verhandeling die de bovenstaande verklaring uitlegt is als volgt:

Het Eerste Kenmerk

Saddho hoti saddahati tathāgatassa bodhiṃ.

“Iemand die begiftigd is met een diep gevoel van vertrouwen. Een die absoluut vertrouwen heeft in de wijsheid en alwetendheid van de Boeddha.”

Hier eindigt de beschrijving van het eerste kenmerk.

Het Tweede Kenmerk

Appābādho hoti appātaṅko samavepākiniyā gahaṇiyā samannāgato nātisītāya nāccuṇhāya majjhimāya padhānakkhamāya.

“Een die vrij is van kwalen. Iemand die vrij is van ziekten. Iemand die begiftigd is met een zodanige spijsverteringswarmte (maag) die noch te warm, noch te koud is, maar die wel de capaciteit heeft om gelijkmatig elk hapje voedsel te verteren, waardoor iemand in staat is om meditatie te beoefenen met levenslust en kracht, ofwel voor mentale rust of inzicht.”

In het huidige tijdperk van moreel en spiritueel verval (vipattikāla), is het uiterst zeldzaam om deze tweede kwaliteit te krijgen.

De verbranding van het spijsverteringsvuur (maag) in een normaal mens van de huidige tijd is net als de verbranding van een strovuur, hooivuur of vuur van droge bladeren. Deze branden springen op in vlammen met grote felheid zodra de omstandigheden om het vuur te ontsteken gunstig zijn. Ze zetten alle ontvlambare voorwerpen in de buurt in korte tijd in brand. Maar deze branden zijn vluchtige dingen (zonder de vastberadenheid van hout of houtskoolverbranding). Wanneer de omstandigheden die gunstig zijn voor hun uitdoven ontstaan, doven dergelijke branden abrupt en volledig uit. In navolging van dezelfde analogie, zijn is het spijsverteringsvuur van mensen vandaag de dag geneigd om abrupt op te springen en abrupt uit te sterven. Ze zijn dus vatbaar voor ziekte, om oud en gehandicapt te worden, of om gemakkelijk te sterven. Mensen moeten tegenwoordig ook rekening houden met de omstandigheden die eigen zijn aan de plaats waar ze moeten verblijven, het voedsel dat ze eten, het water dat ze drinken, de ontberingen van het weer of klimaat dat ze moeten trotseren, en de mate van inspanning die ze moeten leveren om zichzelf te beschermen tegen die gevaren. Vanwege het slecht functioneren van de spijsvertering of het maagvuur, ziet het fysieke lichaam er ongezond uit en doordat het aan energie ontbreekt en door de ongezonde en lethargische toestand van het fysieke lichaam, worden de mentale en intellectuele faculteiten duf en traag. De turbulentie in het snel oplaaien en snel uitdoven van strovuren, hooivuren en vuur van gedroogde bladeren, zoals beschreven in bovenstaand voorbeeld, is te wijten aan het feit dat deze ontvlambare materialen zonder kern of substantie zijn.

In het geval van een persoon die is begiftigd met een systeem van goed uitgebalanceerd spijsverteringsvuur, zoals uitgelegd in de bovengenoemde canonieke teksten, er is geen bijzondere noodzaak om een keuze te maken tussen de ene plaats en de andere, tussen welk soort voedsel of tussen de verschillende klimatologische omstandigheden, of het nu gaat om water, wind, aarde of andere omstandigheden. Er kan geen turbulentie van welke kracht of zwakte van het spijsverteringvuur zijn om het geringste gevoel van onwelzijn of enige andere vorm van ziekte te bewerkstelligen. En dus houdt dit element van het spijsverteringsvuur te allen tijde een staat van evenwicht in het bewaken en beschermen van het fysieke lichaam, die daardoor altijd helder en alert wordt gehouden. In vroegere tijden van morele en spirituele bloei (kāla-sampatti), waren zelfs dieren van de lagere wereld begiftigd met zo’n goed uitgebalanceerde spijsverteringvuur. In het huidige tijdperk van morele en spirituele decadentie, hebben alleen mannen die uitzonderlijk begaafd zijn (purisa-visesa) en die worden ondersteund door een sterke kracht van goed karma uit het verleden recht op dit soort spijsverteringsvuur. Mensen uit het huidige tijdperk die niet op deze manier worden ondersteund door een sterke kracht van goed karma uit het verleden kunnen niet hopen op een dergelijke zegening. Ze kunnen echter hun lot verbeteren door hun toevlucht te nemen tot elixers, tonicums, of medicijnen met een hoge werkzaamheid.

Het volgende is verklaard in Nettipakaraṇa (Nett 23):

Sakkateva jarāya paṭikammaṃ kātuṃ.

“Het is inderdaad mogelijk om het natuurlijke verouderingsproces en het verval van het fysieke lichaam te stoppen.”

Deze passage in de Pali tekst, die de mogelijkheid suggereert van het stoppen van het natuurlijke proces van veroudering en verval, houdt ook de implicatie in dat het ook mogelijk is om ziekte of aandoeningen te voorkomen. Het grote Sub-Commentaar op Het pad van zuivering (Visuddhimaggamahāṭīkā) zegt:

Rasāyana bhesajjaṃ pana suciraṃ pi kālaṃ jīvitaṃ pavattetuṃ sakkoti yeva.

“Er is een probate remedie voor ziekte genaamd rasāyana, die de kracht en effectiviteit bezit om het leven te verlengen buiten de normale periode van slechts honderd jaar tot meer dan vijfhonderd of duizend jaar.”

De betekenis van de term rasāyana wordt uitvoerig als volgt uitgelegd:

Rasā āyanti vaḍḍhanti etenāti rasāyanaṃ.

Betekent: “Het wordt het krachtige tonicum of `elixir’ genoemd omdat de bloedcellen en moleculen die er voedsel aan onttrekken opgeladen worden met voedingswaarden die langer dan duizenden of tienduizenden dagen, maanden of jaren in deze ontwikkelde staat behouden blijven.” Het betekent ook dat ook al wordt een persoon ondersteund door een zwakke kracht van het goede karma die in het verleden is opgebouwd, hij nog steeds zijn leven kan verlengen tot meer dan duizend of tienduizend jaar in een tijdperk of leeftijd waarin de normale levensduur honderd jaar is. Dit kan alleen worden gedaan door middel van uitstekende vindingrijkheid en meedogenloze inspanning om dit soort elixers te produceren waarmee de kenmerken van zijn fysieke lichaam getransformeerd kunnen worden.

Met het oog op het verlengen van het leven, zou men ook om een regelmatige dosis moeten nemen van de lang leven bevorderende medicatie die door de Verheven Boeddha als volgt voorgeschreven wordt:

Abhivādanasīlissa niccaṃ vaḍḍhāpacāyino cattāro dhammā vaḍḍhanti āyu vaṇṇo sukhaṃ balaṃ.

Aan hem die gewoon is om hulde en respect te betuigen aan degenen die zijn meerderen zijn in leeftijd en deugdzaamheid, nemen deze zegeningen toe, namelijk: levensduur, schoonheid, geluk en kracht.

Sommige predikers zijn van mening dat een preoccupatie met het verlengen van de levensduur gelijk staat aan verlangen, wat inhoudt dat men zich vastklampt aan het bewustzijn-lichaam complex (khandha). Dit, zo beweren zulke predikers, is in strijd met de leer van de Boeddha, die zegt: “Je moet je niet te buiten gaan aan het leven en aan het bewustzijn-lichaam complex (khandha).” In het kader van dergelijke stellingen beoefenden ze ernstige ontberingen of zelf geïnduceerde versterving door zichzelf voedsel te ontzeggen, kleding, of beschutting tegen de verwoestingen van het weer, zoals zon, wind, regen, vorst, enz. Dergelijke praktijken bieden slechts een tijdelijk middel voor het verjagen van dergelijk vastklampen (upādāna) en niet een middel om voor altijd de boeien van het zich vastklampen (upādāna-saṃyojana) te overwinnen. Ze zijn gewoon net zoals de inspanning die tijdens het lopende jaar wordt geleverd om bomen te kappen en het ruimen van een stuk land van onkruid en struikgewas. Deze inspanning, helpt echter bij het bevorderen van een nieuwe en weelderige groei van bomen en struikgewas op hetzelfde perceel volgend jaar. Dergelijke zelftucht zoals we hierboven hebben genoemd, zou daarom op dezelfde manier helpen om een nieuwe en weelderige groei van het obstakel van het zich vastklampen in het volgende bestaan te bewerkstelligen.

De beste manier om deze vasthoudende boeien voor altijd te overwinnen is, metaforisch gezien, om een hakbijl te gebruiken waarvan de rand zo scherp is als dat van een scheermes. Deze hakbijl heet ‘Inzicht-kennis’ (vipassanā-ñāṇa) waarmee men moet graven en de elementen van het bewustzijn-lichaam complex weg te hakken of ze tot het heden of de toekomst behoren, totdat ze dat allemaal als het ware, in stukken gebroken en verpletterd zijn tot het fijnste stof of poeder. Sterk en gezond zijn is een van de factoren voor het succesvol opruimen en weghakken van het obstakel van het vastgrijpen aan het bewustzijn-lichaam complex. Dit vormt het tweede kenmerk voor het winnen van de hogere kennis van de Nobelen. Daarom, iedereen die de moeite doet om de hogere kennis van de Nobelen te verwerven moet er hard aan werken om aan deze eis te voldoen om gezond en sterk te zijn tot men het doel van zijn inspanningen bereikt.

Hier eindigt de beschrijving van het tweede kenmerk.

Het Derde Kenmerk

Met betrekking tot het derde kenmerk heeft de Boeddha de volgende verklaring in de Aṅguttara Nikāya gedaan:

Asaṭho hoti amāyāvī yathābhūtaṃ attānaṃ āvikattā satthari vā viññūsu vā sabrahmacārīsu.

Betekenis: ” Hij is niet slinks of sluw. Hij is openhartig en eerlijk in de omgang met mij (de Boeddha) of zijn collega discipelen die zijn superieuren in wijsheid zijn.” In bredere zin betekent het dat een aspirant voor de hogere kennis van de Nobelen, zonder terughoudendheid of verhulling, al dat gedrag, plannen, gedachten, ideeën en mentale neigingen die discutabel zijn openbaar moet maken. Hij moet ook open zijn, zonder voorbehoud of verhulling, over het bezit van al die gedragingen, plannen, gedachten, ideeën, en mentale neigingen die bewonderenswaardig zijn. Hij moet op zijn minst niet sluw en geslepen zijn door te:

  • doen alsof hij weet wat hij eigenlijk niet weet
  • doen alsof hij heeft gezien wat hij niet echt heeft gezien
  • doen alsof hij meer weet, terwijl hij eigenlijk minder weet
  • doen alsof hij scherpzinnig is, terwijl hij eigenlijk stompzinnig is.

Het enige dat hierin bedoeld is, is dat hij een hart moet hebben dat eerlijk is, oprecht, en zuiver.

Hier eindigt de beschrijving van het derde kenmerk.

Het Vierde Kenmerk

Met betrekking tot het vierde kenmerk heeft de Boeddha het volgende verklaard:

Āraddhaviriyo viharati akusalānaṃ dhammānaṃ pahānāya kusalānaṃ dhammānaṃ upasampadāya thāmavā da ļhaparakkamo anikkhittadhuro kusalesu dhammesu.

Dat betekent: “Hij is dag en nacht bezig met het wijden van zijn energie aan het verjagen van kwaadaardige en ongezonde eigenschappen en het ontwikkelen van zuivere en gezonde eigenschappen. Hij bezit kracht en doet enorm zijn best. Hij geeft nooit zijn verantwoordelijkheid op om de vier soorten van deugdzaamheid of heilzame eigenschappen na te leven.”

Hij is begiftigd met zo’n buitengewoon enthousiasme, lichaam, en energie als zou het hem in staat stellen om (1) alle onheilzame kenmerken zoals onwetendheid over de Vier Edele Waarheden (avijjā) en verlangen (taṇhā) in dit leven bijna binnen één nacht voor altijd te verjagen, en (2) de heilzame eigenschappen te verwerven en te bereiken die hem naar (een) wedergeboorte in zalige zintuigelijke verblijfplaatsen (kāma-kusala) zou leiden (b) wedergeboorte in fijnstoffelijke sferen (mahaggata-kusala) en c) het Bovenwereldse Pad en Vrucht (lokuttarakusala) bereiken.

Een persoon die door een slangenbeet en de verspreiding van het slangengif door zijn hele lichaam, in een zwijmelende en diepe coma gevallen is die een einde maakt aan alle faculteiten van zien en ademen, kan niet worden geacht vrij van gevaar te zijn, of volledig te zijn gered:

  1. Als hij weer begint te ademen als eerste reactie op de hem toegediende antigifbehandeling
  2. Als hij vervolgens zwakjes van de ene zijde naar de andere rolt
  3. Als hij vervolgens zijn gezichtsvermogen terugkrijgt
  4. Wanneer het slangengif zich vervolgens van het hoofd tot aan de middenregionen terugtrekt
  5. Wanneer het slangengif zich vervolgens van uit het midden van het lichaam naar de lagere regionen terugtrekt
  6. Wanneer het slangengif zich vervolgens van de knieën tot aan de onderste ledematen terugtrekt.

Hij kan alleen worden geacht vrij van het gevaar te zijn, of volledig veilig te zijn, wanneer het slangengif volledig uit de opening wordt uitgestoten die door de oorspronkelijke slangenbeet werd veroorzaakt.

Net zoals het slachtoffer van de slangenbeet in de bovenstaande gelijkenis niet als vrij van het gevaar, of als volledig veilig beschouwd kan worden alleen vanwege het feit dat hij weer zelf kan ademen, wat de eerste reactie op een antigif behandeling die hem wordt toegediend is, evenzo kan, een persoon die, als leek, overweldigd is door het gif van sensuele lekkernijen (kāma-guṇa) en het gif van hindernissen (nīvaraṇa), nog niet als veilig worden beschouwd door het enkele feit dat hij in de zuiverheid van de moraliteit (sīla-visuddhi) verblijft. Hij kan ook niet als veilig worden beschouwd, alleen maar omdat hij, door afstand te doen van de wereld en een kluizenaar of monnik te worden, zelftucht heeft beoefend en zich bezig hield met de dertien ascetische middelen van zuivering (dhutaṅga). Hij zou net zijn als het genoemde slachtoffer van een slangenbeet die zich in het stadium bevindt van het krachteloos rollen van de ene naar de andere kant.

Wanneer een dergelijk persoon stevig verankerd raakt in de moraliteit en beoefeningen van zelftucht, en hij respectvol wacht op een bekwame leraar van inzicht-beoefening (vipassanā) die hij respectvol benadert, van wie hij praktijklessen neemt als een devoot leerling. Dit doet hij door naar een plaats van eenzaamheid en rust te gaan en zich volhardend toeleggen op het beoefenen van inzichtmeditatie. Door middel van vasthoudende en inspannende beoefening, zou hij zich met helder begrip alle groepen van fysieke en mentale fenomenen en het proces van hun ontstaan en overlijden in zijn bewustzijn-lichaam complex (khandha) realiseren. In deze fase lijkt hij op het slachtoffer van een slangenbeet die is hersteld van de staat van delirium en die zijn gezichtsvermogen herwonnen heeft. Alleen al het herwinnen van het gezichtsvermogen moet niet worden beschouwd alsof hij hersteld is van het dodelijke effect van het slangengif. In de huidige tijd zijn er nogal wat mensen die hun toevlucht nemen tot in eenzaamheid vasten in de jungle in zowel in het Noorden als Zuiden van Birma en die in alle ernst beginnen met het beoefenen van inzicht. Ze hebben niet eens het stadium bereikt vergelijkbaar met dat van het herwinnen van het gezichtsvermogen van de persoon die door een slang gebeten was. Wanneer de inzichtskennis (vipassanā-ñāṇa) hoog ontwikkeld wordt en het stadium van een Stroombetreder (sotāpanna) bereikt is, lijkt de inzichtleerling (yogī) op het slachtoffer van de slangenbeet waarbij het slangengif zich uit het hoofd heeft teruggetrokken.

Wanneer men het stadium van iemand die nog één keer terugkeert (sakadāgāmī) heeft bereikt, lijkt men op het slachtoffer van de slangenbeet waarbij het dodelijke effect van het slangengif was teruggetrokken tot aan het midden van het lichaam en verder naar beneden.

Wanneer men het stadium bereikt van iemand die niet meer terugkeert (anāgāmī) lijkt men op het slachtoffer van de slangenbeet waarbij het dodelijke effect van de slangenbeet tot boven de knieën is verdwenen.

Wanneer men het stadium van Arahantschap (arahatta) bereikt, lijkt men op het slachtoffer van de slangenbeet, van wie al het slangengif volledig is uitgestoten door het hele systeem van het lichaam door de opening veroorzaakt door de originele slangenbeet, waardoor zo’n slachtoffer volledig genezen is van allerlei ziekten en kwalen als gevolg van de dodelijke werking van de slangenbeet.

Dus, tot zo’n stadium van volledig herstel en genezing van het dodelijk effect van slangengif en alle daaruit voortvloeiende ziekten en kwaaltjes wordt bereikt, is het gepast voor het slachtoffer van een slangenbeet om alle dringende problemen te negeren, behalve het vitale probleem van het genezen van het dodelijke effect van slangengif. Zijn zorgen, zijn angsten, en zijn energie zou dag en nacht aan niets anders moeten worden gewijd dan aan het genezen van de dodelijke effecten van de slangenbeet.

Op dezelfde manier worden mensen die overweldigd zijn door het dodelijke gif bekend als de vijftienhonderd verontreinigingen (kilesā) die hen aan de sfeer van de dood binden, moeten nooit rusten, maar zich onverbiddelijk inspannen. Ze moeten dit blijven doen totdat ze volledig gezuiverd van dergelijke dodelijke verontreinigingen door het bereiken van het Pad (magga) en Vrucht (phala), ook al hebben ze misschien de acht verworvenheden (samāpatti)[ii] reeds bereikt en verworven hebben en de tien stadia van de kennisoverdracht (vipassanā-ñāṇa).[iii]

 Zulke mensen moeten zichzelf beschouwen als begiftigd met het opperste geluk in het vinden van een superdokter in dit huidige leven in de persoon van de Boeddha en de wondermiddelen en soevereine medicijnen die hij in de vorm van inzicht heeft voorgeschreven (vipassanā-paññā) en pad-wijsheid (maggapaññā).

Hier eindigt de beschrijving van het vierde kenmerk.

Het Vijfde Kenmerk

Paññavā hoti udayatthagāminiyā pañññāya samannāgato ariyāya nibbedhikāya sammā dukkhakkhaya-gāminiyā.

Een wijs man is hij die begiftigd is met zulk een voortreffelijk inzicht met kracht, wat betekent dat hij:

  1. In staat is om bij het ononderbroken proces van ontstaan en ontbinding (bij een enorm hoge frequentie van ongeveer duizend miljoen cycli in een fractie van een seconde) van de fysieke en mentale fenomenen van zichzelf of bij andere personen te blijven en te volgen.
  2. Te nobel en heilig om aan de gewone mensen of goden te kunnen worden toegeschreven.
  3. In staat is om het foutieve beeld van de compactheid van fysieke en mentale fenomenen (bewustzijn-lichaam complex) te vernietigen net zoals het donderwapen (vajira) van zowel de top als de hele massa van een massieve berg verbrijzelt en in fragmenten en het fijnste poeder slaat.
  4. In staat is om lijdende, bewuste wezens feilloos te begeleiden langs een pad dat geen knikken, bochten of hindernissen heeft, rechtstreeks naar het summum bonum, dat de plaats is waar alle terugkerende zorgen en lijden eindigen (vaṭṭa-dukkha).

Dit vijfde kenmerk is alleen inherent aan een individu wiens wedergeboorte-bewustzijn wordt geconditioneerd door de drie nobele wortels, d.w.z., vrijgevigheid, vriendelijkheid, en wijsheid (ti-hetuka-puggala). De individuen die zonder wortelcondities geboren worden (ahetukapuggala) en degenen die geboren zijn met slechts twee edele wortelcondities, d.w.z. vrijgevigheid en vriendelijkheid (dvi-hetuka-puggala) kunnen niet worden begiftigd met dit vijfde kenmerk. De persoon die begiftigd met dit kenmerk weet zeker dat hij een individu is geconditioneerd met drie wortels.

Zoals we al eerder zeiden, heeft de Boeddha verklaard dat een persoon die is begiftigd met deze Kenmerken in staat is om een succesvolle poging te doen om de hogere kennis van de Nobelen in het huidige leven te verwerven.

Hier eindigt de beschrijving van het vijfde kenmerk.

De Kenmerken van de Opperste Inspanning

De inspanning die met onverbiddelijke vastberadenheid wordt geleverd, gekenmerkt door de volgende affirmaties wordt de opperste inspanning (padhāna) genoemd:

  1. Graag zou ik gereduceerd worden tot botten.
  2. Graag zou ik gereduceerd worden tot pezen.
  3. Graag zou ik gereduceerd worden tot huid.
  4. Laat mijn lichaamsvlees en bloed opdrogen als er een vortex van energie zou komen, zodat ik kan winnen wat nog niet gewonnen is door menselijke kracht, door menselijke energie, door menselijk streven.

De persoon die deze affirmatie doet, die wordt gevolgd door een inspanning die daarmee overeenkomt, wordt aangeduid als padhāniya. Deze vijf kwaliteiten, die waardig zijn toe te schrijven aan een dergelijke persoon, worden de vijf kenmerken van opperste inspanning genoemd (padhāniyaṅga).

Hier eindigt de korte uiteenzetting over de vijf soorten hogere kennis en de vijf kenmerken van een persoon die ze kan verwerven.

Drie Soorten Hogere Kennis van Nobelen

We stellen nu voor, ten behoeve van degenen die trainen voor inzicht en ernaar streven om een succesvolle poging te doen om de hogere kennis van de Nobelen (ariya-vijjā) uit de vijf soorten hogere kennis te verwerven, om kort de methode te beschrijven voor het bereiken van de drie takken van hogere kennis van de Nobelen:

  1. Hogere kennis van de waarheid van de vergankelijkheid (anicca-vijjā)
  2. Hogere kennis van de waarheid van het lijden (dukkha-vijjā)
  3. Hogere kennis van de waarheid van onpersoonlijkheid en conditionaliteit (anatta-vijjā)

De Matrix

  1. Dit fysieke lichaam heeft als fundamentele basis de vier grote primaire elementen (“ayaṃ kāyo cātum-mahābhūtiko“)
  2. Het hele interieur ervan is gedecoreerd met zes soorten van duidelijke en heldere, spiegelachtige elementen (“ayaṃ kāyo chappasādamaṇḍo“)
  3. Het is een product van tien soorten thermische condities of temperatuur (“ayaṃ kāyo utūnaṃ udayo“)
  4. Het wordt voortdurend ondersteund door tien soorten voeding (“ayaṃ kāyo āhārehi thambhito“)
  5. Het heeft de kenmerken van oorsprong in een ononderbroken proces (“ayaṃ kāyo jātidhammo“)
  6. Het heeft de kenmerken van een kortstondig verval in een proces (“ayaṃ kāyo jarādhammo“)
  7. Het heeft de eigenschap om kortstondig te sterven in een proces (“ayaṃ kāyo maraṇadhammo“)
  8. Het heeft geen duurzame kwaliteit (“ayaṃ kāyo anicco“)
  9. Het is een enorme lijdensweg, niet vergezeld van gelukzaligheid (“ayaṃ kāyo dukkho“)
  10. Het is zonder een zelf (“ayaṃ kāyo anattā“)

Dit is de matrix (“iti ayaṃ mātikā“).

Eeste Item van de Matrix

De Vier Grote Primaire Elementen

De vier grote primaire elementen (hābhūtā) waar aan gerefereerd wordt in de bovengenoemde matrix zijn: (1) aarde-element (paṭhavī-dhātu) (2) water-element (āpo-dhātu) (3) vuur-element (tejo-dhātu) en (4) wind-element (vāyo-dhātu). Van deze vier:

  1. Is het kenmerk van hardheid (kakkha ļa-bhāva), of van zachtheid (mudu-bhāvo), inderdaad het echte aarde-element in de ultieme betekenis.
  2. Is het kenmerk van cohesie (ābandhana), of van liquiditeit (paggharaṇa) inderdaad het echte water-element in de ultieme betekenis.
  3. Is het kenmerk van warmte (uṇha-bhāva), of van koude (sītabhāvo) inderdaad het echte vuur-element in de ultieme betekenis van het woord.
  4. Is het kenmerk van steun of spanning (vitthambhaan), of van de beweging (samudīraṇa), inderdaad het wind-element in de ultieme betekenis.

(Dit zijn aforismen die grondig moeten worden bestudeerd en uit het hoofd geleerd}

We zullen nu de vier grote primaire elementen uitleggen, dat wil zeggen, de elementen van aarde, water, wind en vuur, op zo’n manier dat elk van hen kan worden begrepen met hogere kennis (vijjā-ñāṇa).

Het Echte Aarde-Element in de Ultieme Betekenis

Een echt aarde-element in de ultieme betekenis (paramatta) betekent het loutere kenmerk, kwaliteit of functie (kiriyā) van de hardheid, die noch een kern, noch een substantie, noch een massa ter grootte van honderdduizendste deel van een atoom heeft. Deze kwaliteit van hardheid in de ultieme zin is echter aanwezig in alle delen van de dingen en objecten, inclusief:

  1. Het heldere, transparante water van rivieren, beken, bronnen, fonteinen, waterputten, enz.
  2. Zonnestralen, maanstralen, sterrenlicht, vuurlicht, of de heldere uitstraling van een robijn
  3. Het geluid van klokken of draaiende messing gongs die in de buurt van of veraf vibreren
  4. De zachte bries, de zachte wind, de harde wind of storm en de welriekende of vieze geuren die ver of dichtbij de lucht doordringen.

De Potentie van het Aarde-Element

Zoals boven aangegeven, zitten alle dingen en voorwerpen zoals water, licht, geluid, etc., vol met het aarde-element. Deze bevinding wordt gesteund door het feit dat:

  1. De vier grote primaire elementen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en elkaar aanvullen (avinibbhoga-vutti).
  2. De Boeddha heeft verklaard:
    Ekaṃ mahā-bhūtaṃ paṭicca tayo mahā-bhūtā, tayo mahā-bhūte paṭicca ekaṃ mahā-bhūtaṃ, dve mahā-bhūte paṭicca dve mahā-bhūtā.
    “Het ene grote primaire element is de conditionerende factor voor de andere drie grote primaire elementen; de andere drie grote primaire elementen zijn de conditioneringsfactoren voor één groot primair element; twee grote primaire elementen zijn de conditioneringsfactoren van de andere twee grote primaire elementen.” (Paṭṭhāna I § 53)
  3. De commentaren zeggen: het aarde-element heeft de functie van het ontvangen of ondersteunen (sampaṭicchana-rasā) van het water-, wind- en vuur-element.
  4. De kenmerken van water, vuur en wind zodanig zijn dat ze niet kunnen ontstaan zonder het element aarde als hun steun.

Dit is bewijs dat wordt ondersteund door de autoriteit uit de geschriften.

Bewijs Ondersteund door Karakteristieken

Het is duidelijk dat in een massa water of in een hoeveelheid wind, de lagere lagen, achtereenvolgens de bovenste ondersteunen. Deze staat van ondersteuning is niet het kenmerk van het water-element omdat de samenhang het enige kenmerk is van het water-element. Deze staat van ondersteuning is ook niet het kenmerk van het vuur-element omdat warmte of koude het enige kenmerk is van het vuur-element. Deze staat van ondersteuning, betreft dus de kenmerken van het aarde-element en het wind-element omdat deze toestand alleen mogelijk is door een combinatie van hardheid met steun of spanning. Van deze twee wordt de hardheid het aarde-element in de ultieme betekenis genoemd, en ondersteuning of spanning wordt het wind-element in de ultieme betekenis van het woord genoemd. Nogmaals, van deze twee, ondersteuning of spanning, wat het wind-element wordt genoemd, moet afhankelijk zijn van de hardheid, wat het aarde-element wordt genoemd, zonder welke het wind-element op zich niet kan bestaan. Je moet proberen om het verschil tussen de eigenschap van hardheid en die van ondersteuning of spanning te zien. Op deze manier moet je met duidelijke begrip begrijpen dat het aarde-element, in de uiteindelijke zin, in zowel water- als wind-elementen bestaat. Dit kan worden bereikt door het observeren van het kenmerk van hardheid (kakkha ļa-lakkhaṇa) in zowel wind als water in hun respectievelijke sterktes.

Kenmerken van de Hardheid in het Licht, enz

Hoewel de kenmerken van de hardheid bestaan in het licht, zoals zonnestralen, etc. in geluiden, zoals het geluid van een bel, etc. en in geuren, zoals welriekende geuren, zijn deze objecten, in overeenstemming met hun natuur, zijn zeer zwak ten aanzien van de eigenschap van hardheid, en als zodanig, is het bewijs van het bestaan ervan door middel van kenmerken alleen onmogelijk. Het bewijs van zijn aanwezigheid kan alleen worden geleverd in de vorm van autoriteit op basis van geschriften. De voorbeelden van transparant water, wind, maanstralen, geluiden en geuren worden hier alleen maar gegeven om het volgende duidelijk te maken:

  1. Alleen al de kwaliteit of het kenmerk van de hardheid is het echte aarde-element in de uiteindelijke zin.
  2. Het echte aarde-element heeft noch een kern, noch inhoud, noch massa zelfs niet ter grootte van een honderdduizendste deel van een atoom.

Dit aarde-element, dat geen kern, substantie of massa heeft, is slechts een kwaliteit of kenmerk van hardheid. Er wordt gezegd dat het hard is als de sterkte van de hardheid buitensporig is, en zacht als de sterkte van de hardheid zwak is.

Men moet de geleidelijke toename van de mate van hardheid of zachtheid van dit aarde-element, en het verschil tussen de hardheid in de hoogste sterkte, zoals die van de diamant (vajira) aan de ene kant, en de hardheid van de zwakste kracht als die van een materiële eenheid van het maanschijnsel aan de andere kant. De kwaliteit of eigenschap van hardheid in dit aarde-element moet in termen van de uiteindelijke realiteit (paramattha-dhamma) worden overpeinsd en niet in termen van percepties op basis van gezond verstand. In het laatste geval zal het element van hardheid niet worden gedetecteerd in zulke lichtstralen als het maanschijnsel.

Wanneer honderdduizenden miljoenen en tienduizenden miljoenen eenheden van het aarde-element, dat in werkelijkheid slechts een kenmerk van hardheid is, in de ultieme zin worden verbonden in één massa door het element van cohesie, genaamd āpo-dhātu, ontstaat een ding of object met vorm en massa, dat een ‘atoom’ (anu-myū) wordt genoemd. Wanneer honderdduizenden miljoenen en tienduizenden miljoenen in eenheden van dergelijke atomen weer aan elkaar worden gebonden, ontwikkelt zich een vlekje organische stof genaamd ‘vlo’ of ‘insect’. Dus men moet zich realiseren dat door een series van vermenigvuldigingen hoe:

  • In de wereld van de wezens, het massieve lichaam van de Koning van de Titanen (asurinda) van vierduizend achthonderd yojana’s (een yojana is een afstand van ongeveer zeven mijl) wordt gevormd.
  • In het geval van zichtbare uitwendige objecten met vorm (bahiddhā saṇṭhāna) zoals de enorme massa van Mount Meru, die twee keer vierentachtigduizend yojana’s hoog is of van de grote aarde, die tweehonderdveertig duizend yojana’s diep is, zijn opgebouwd.

Dus, deze kwaliteit of eigenschap van hardheid, die het element aarde wordt genoemd, vormt de fundamentele basis van alle organische of anorganische dingen, te beginnen met de kleinste objecten zoals een vlo of een atoom. Er is geen ander element dan het aarde-element waaruit materiële zaken kunnen worden afgeleid. De elementen van water, vuur en wind moeten er van afhangen voor hun bestaan. Dus het grote belang van de functie van het element aarde moet worden begrepen.

Als je het aarde-element alleen in zijn ultieme betekenis wilt beschouwen, moet je de loutere kwaliteit of het kenmerk van hardheid isoleren, die noch vorm noch massa heeft ter grootte van een atoom. Je zult dan de kwaliteit of kenmerken van de hardheid waarnemen, alsof het een beeld is dat wordt gereflecteerd in een spiegel of op het oppervlak van rustig water. Als echter tijdens de overpeinzing met inzicht over de grote primaire elementen, een idee van lang of kort, groot of klein, solide of compact in je mentale visie kruipt, is het slechts een indicatie dat het voorwerp van contemplatie niet echt het aarde-element in de ultieme zin is. In een dergelijk geval moet de beschouwing worden gezien als zijnde vervuild of vermengd met het concept van vormen (saṇṭhāna-pañatti) of van de materiële stoffen met afmetingen. Wanneer het aarde-element in de ultieme zin verward wordt met het concept van vormen of massa, zal een duidelijk begrip van het proces van ontstaan en verdwijnen (van mentale en fysieke fenomenen) niet mogelijk zijn in de volgende (gevorderde) fase van overpeinzing.

[Het moet worden opgemerkt dat bij het geven van instructies in de praktijk van contemplatie van de vier grote primaire elementen aan de Eerwaarde Ānanda, de Eerwaarde Puṇṇa Mahāthera dit voorbeeld van een weerkaatsing in de spiegel gaf. Dit voorbeeld van een weerkaatsing in de spiegel was instrumenteel bij de Eerwaarde Ānanda’s in het Stroombetreder (sotāpanna) worden.]

Als een persoon duidelijk de kwaliteit of kenmerken van de hardheid van het aarde-element in de ultieme zin begrijpt, zonder het te mengen met de visie van welke stof dan ook, zelfs niet ter grootte van een atoom tijdens zijn inzicht-oefening op elk object, zowel organisch als anorganisch, zal het gemakkelijk voor hem zijn om het aarde-element duidelijk te begrijpen in alle minder organische en anorganische voorwerpen. De beelden van bossen, bomen of bergen gereflecteerd in een spiegel of in een oppervlak helder water kunnen zo groot lijken als Mount Meru, maar wanneer de omstandigheden gunstig zijn voor hun verdwijnen of vernietiging zullen ze verdwijnen of worden ze meer dan honderd keer binnen de tijdsduur van een knipoog of een bliksemflits vernietigd. De reden is dat ze zijn verstoken van een kern of substantie, zelfs zo klein als een atoom. Op dezelfde manier zal hij in staat zijn om de tekenen en kenmerken van een soortgelijke verdwijning of vernietiging te zien van het aarde-element (paṭhavī-dhātu) in de uiteindelijke zin, die de hele massa van, en net zo groot is als Mount Meru doordringt omdat het ook verstoken is van een kern of stof, zelfs zo klein als een atoom.

Wanneer een persoon het echte aarde-element beschouwt in zijn eigen lichaam ter wille van de Verlichting, moet hij zijn lichaam deel voor deel beschouwen, zodat het omschreven gebied van zijn onderzoek in verhouding kan staan tot zijn vermogen tot concentratie en contemplatie. Als hij een deel overweegt, zoals bijvoorbeeld, zijn hoofd, zou hij het door en door moeten beschouwen zonder onderscheid te maken tussen het binnenste en het buitenste.

Tijdens een dergelijke beschouwing kan het element kleur tussenbeide komen en hem op een dwaalspoor brengen. Het idee van vormen, of massa (beeldende ideeën) (saṇṭhāna-paññatti) zal waarschijnlijk ook tussenbeide komen en hem op een dwaalspoor brengen. In dergelijke gevallen, moet hij vasthoudend zijn bewustzijn aanwakkeren tot volledige aandacht. Bij het toepassen van bewuste aandacht op het lagere deel van zijn lichaam tot aan de zolen van zijn voeten, moet een persoon ook zijn lichaam deel voor deel overdenken, zodat elk omschreven gebied van zijn onderzoek in verhouding kan staan tot zijn vermogen tot concentratie en contemplatie. Wanneer het hele lichaam volledig door deze oefening wordt bestreken, zal de contemplatie van het echte aarde-element in het hoofd hem tegelijkertijd hetzelfde element doen beseffen in alle andere delen van het lichaam tot aan de voetzolen. Als een persoon succesvol is in het realiseren van het echte aarde-element met betrekking tot zijn eigen lichaam, is het net zo goed als het realiseren van hetzelfde element met betrekking tot de lichamen van alle andere wezens in het oneindige universum en wereldsystemen. Een succesvolle realisatie van het echte aarde-element zal het veel gemakkelijker maken om alle andere elementen met diepe penetratie te realiseren in de interne (ajjhattika) sfeer zoals het water-element, het vuur-element, het wind-element, het oog-element, het oor-element, etc., en ook de elementen van de externe (bahiddhā) sfeer zoals het zichtbare object (rūpa-dhātu), het geluid-element (sadda-dhātu), enz.

Hier eindigt de korte uiteenzetting van de methode van contemplatie van het aarde-element met succesvolle diepgang, wat paṭhavī-dhātu genoemd wordt.

Het echte Water-Element in de Ultieme Betekenis

In de ultieme betekenis betekent ‘water-element’ de kwaliteit van samenhang. Wanneer deze kwaliteit een positie van kracht en energie aanneemt, wordt dit het water-element (āpo-dhātu) dat de kwaliteit van vochtigheid of liquiditeit (paggharaṇa) heeft. Dit water-element in de ultieme betekenis, dat louter de kwaliteit van de samenhang is (ābandhana-kiriyā), is verstoken van een kern of substantie zelfs niet met de grootte of afmetingen van een honderdduizendste deel van een atoom. Dit water-element bindt de andere elementen samen, namelijk aarde-element, wind-element en vuur-element, die naast elkaar bestaan in dezelfde materiaaleenheid (kalāpa). Deze elementen zijn onderling afhankelijk, bestaan naast elkaar en ondersteunen elkaar wederzijds. Dus, wanneer het water-element verdwijnt, verdwijnen die andere elementen ook meteen.

[De bovenstaande verhandeling verklaart de belangrijke bijdrage die wordt geleverd door het water-element, genaamd āpo-dhātu, in de vorming van een materiaaleenheid.]

Alleen door dit water-element kunnen de materiaalgroepen in deze wereld in verschillende vormen bestaan, en vaste massa’s met grote of kleine afmetingen, variërend van een elektrisch deeltje (paramāṇu-myū) tot:

  • Het massieve lichaam van de koning van de Titanen (asurinda) in de wereld van wezens en
  • Mount Meru, de aangrenzende bergen (Mount Cakkavāļa) of de grote aarde in het fysieke universum[iv].

Behalve dit water-element is er geen ander element dat de elementen bij elkaar kan houden als deeltjes of vaste objecten. Als de kwaliteit van de cohesie in Mount Meru, die twee keer vierentachtigduizend yojana’s hoog is, zou worden vernietigd, zal Mount Meru onmiddellijk verdwijnen. Als de kwaliteit van samenhang in de aangrenzende bergen, die twee keer tweeëntachtigduizend yojana’s hoog zijn, zou worden vernietigd, zullen de aangrenzende bergen zelf onmiddellijk verdwijnen. Als de kwaliteit van de samenhang in de grote aarde wordt vernietigd, zal de grote aarde zelf onmiddellijk verdwijnen, waardoor er alleen een open ruimte voor in de plaats komt.

Waarom? Omdat in de afwezigheid van de kwaliteit van de samenhang, of bindende kracht, de hele massa van het aarde-element, het vuur-element, en het wind-element, dat ten grondslag ligt aan of zich manifesteert als de massieve Mount Meru, omringende bergen, of de grote aarde verstoken zal blijven van wederzijdse ondersteunende co-existentie en onderlinge afhankelijkheid en dus onmiddellijk desintegreren. Met uitzondering van Nibbāna (zonder oorsprong en ongecreëerd), kunnen alle andere ultieme realiteiten (paramattha-dhamma) die de tekenen en kenmerken hebben van gevormd of geconditioneerd (saṅkhata-lakkhaṇa) te zijn, niet aanwezig blijven, zelfs niet voor de tijdsduur van een knipoog of een bliksemflits als ze zonder dergelijke steun of hulp zijn.

Als men wil reflecteren over het water-element onderliggend aan Mount Meru, de aangrenzende bergen, en de grote aarde in de uiteindelijke betekenis, moet men reflecteren over de kwaliteit van samenhang alleen, zonder het te verwarren met de kwaliteit van hardheid die alleen inherent is aan het aarde-element. Tijdens dergelijke contemplatie kunnen het element kleur en beeldende ideeën in de weg te staan.

Als de bepalende kennis van verschijnselen (dhamma-vavatthāna-ñāṇa) wordt belemmerd door kleur en beeldende ideeën, zal een duidelijk begrip van het proces van ontstaan en ontbinding (van mentale en fysieke fenomenen) niet mogelijk zijn in de volgende hogere fase van contemplatie. Een realisatie van de drie kenmerken van het bestaan, namelijk (1) vergankelijkheid (anicca), (2) lijden (dukkha) en (3) onpersoonlijkheid en conditionaliteit (anattā) in hun meest ware betekenis is alleen mogelijk wanneer de ultieme realiteit (paramattha-dhamma) volledig wordt begrepen met helder begrip.

Zoals in het geval van het aarde-element, een persoon die met het helder begrip begrijpt dat het water-element slechts een kwaliteit is of een kenmerk van samenhang zal ook met helder begrip het feit begrijpen dat er geen kern noch inhoud is, zelfs in Mount Meru en de grote aarde, net als er geen kern, noch substantie is in de beelden van regen, wolken, zon, maan of bomen die in de spiegel of op het oppervlak van helderblauw water worden gereflecteerd. Wanneer het water-element in Mount Meru en de grote aarde volledig wordt begrepen, zal het begrip van hetzelfde element met inzicht in alle aardse en hemelse wezens erg gemakkelijk worden. Wat het allerbelangrijkste is, is het realiseren van het water-element in alle bewuste wezens. We introduceren dergelijke massieve objecten als Mount Meru en de grote aarde in onze uitleg om de weg te banen voor een goed begrip van het water-element als een kwaliteit van samenhang in het ontstaan van levende wezens. Je moet je dit element eerst realiseren met betrekking tot de eigen persoon van de top van je hoofd tot aan de voetzolen en dan alleen aan het water-element denken ten opzichte van andere wezens.

Hier eindigt de korte uiteenzetting van de methode van contemplatie van het water-element, genaamd āpo-dhātu, dat leidt tot doordringend inzicht.

Het Begrijpen van het Vuur-Element

De kwaliteit van warmte of koude is die welke zorgt voor incubatie-warmte om de groei, energie en kracht van de andere drie grote elementen te bevorderen waarmee het gelijktijdig bestaat in dezelfde materiaaleenheid (kalāpa). De tweeling-energie van warmte en koude heeft in elk de broedende warmte die de groei, energie en de kracht van de andere grote primaire elementen bevordert waarmee het in dezelfde materiaaleenheid tegelijk bestaat. In het geval van eieren door een hen in een nest gelegd, kunnen ze in kracht en energie groeien in geleidelijke fasen en alleen in kippen uitkomen als de moeder-kip constant zit en haar lichaamswarmte aan hen doorgeeft. Als de moeder-kip niet zit om haar lichaamswarmte te geven, zullen zulke eieren zich niet kunnen ontwikkelen tot kippen. In plaats daarvan zullen die eieren rot worden zodra de lichaamswarmte die tijdens de incubatietijd in de baarmoeder van de moeder ontvangen werd uitgeput raakt.

In deze gelijkenis lijkt het vuur-element op de moeder-kip en de andere drie naast elkaar bestaande elementen van aarde, wind en water lijken op de dooier van een ei. Alleen in combinatie met het vuur-element kan hardheid (aarde-element) effectief ontstaan; alleen in combinatie met het vuur-element kan de samenhang (water-element) effectief ontstaan; en alleen in combinatie met het vuur-element, kan vibratie (wind-element) effectief ontstaan. Ze kunnen niet effectief ontstaan zonder het vuur-element.

Water in de grote oceaan, water in de zeeën, water dat deze grote aarde ondersteunt zijn afhankelijk van het (koude) vuur-element. Zij moeten hun bestaan onder haar controle voortzetten. Mount Meru, De Berg van het Universum en de grote aarde zijn ook afhankelijk van het (koude) vuur-element. Bij het beschouwen van het vuur-element alleen, zonder het te vermengen met de andere elementen, moet men alleen de kwaliteit van de kou in de koude objecten overwegen en alleen de kwaliteit van de warmte in hete voorwerpen. Het idee van vormen, de vorm, of massa (beeldende ideeën) mag niet tussenbeide komen en je op een dwaalspoor zetten. Het feit dat het vuur-element in zijn ultieme betekenis verstoken is van een kern, essentie of substantie zonder de grootte van zelfs een atoom is heel duidelijk. Om deze reden, wanneer het vuur-element begrepen wordt met een zuiverheid van begrip en helderheid van visie, zal men zich realiseren dat er geen kern of substantie is van enige omvang of dimensie in dat element, net als de beelden van de zon, de maan, wolken en regen die worden gereflecteerd in een spiegel of op het oppervlak van helderblauw water geen enkele stof bevat, hoewel het lijkt alsof ze massief zijn in iemands perceptie. Bij het beschouwen van het vuur-element in het eigen lichaam, moet men dit deel voor deel doen, zodat elk gebied kan worden ingeperkt binnen het bereik van iemands contemplatieve vermogen.

Als men in staat is om het vuur-element duidelijk te begrijpen in het eigen lichaam, wordt men in staat om duidelijk het vuur-element in alle andere wezens van het oneindige universum te begrijpen.

Hier eindigt de korte uiteenzetting van de methode van contemplatie van het vuur-element met doordringend inzicht.

Het Wind-Element in de Ultieme Betekenis

Een hoeveelheid vlammen of rook bevat daarbinnen het wind-element, dat, op grond van het vuur-element, de generator is voor de bestendiging van het vuur-element zelf. Vanwege dat wind-element wordt de verspreiding van het vuur-element duidelijk in verschillende vormen zoals:

  • De verspreiding van vuur
  • De hittestraling
  • De straling van het licht
  • De opwaartse verspreiding van levendige vlammen
  • De uitstoot van rook en
  • De verspreiding van nieuwe branden opeenvolgend.

Op dezelfde manier is dit wind-element de oorzaak van de trilling van het vuur-element, dat in de ultieme zin alleen maar de kwaliteit van de warmte of de koude is. Op grond van deze factor is elke vonk van vuur die bij een ontvlambaar object wordt gebracht, verantwoordelijk voor het zich verspreiden in het hele gebied van dat object. Als, door de zwakte van die vibrerende factor, het vuur zich niet verspreidt, wordt hulp van buitenaf gegeven door het produceren van de trillingsfactor in de vorm van een luchtstroom door middel van uitwaaierende of stuwende lucht door een trechter of buis.

Waar de kwaliteit of het kenmerk van de warmte aanwezig is, zijn er vast en zeker elementen van warmte-trilling en warmte-energie. Ook de kwaliteit van de kou gaat altijd gepaard met de elementen van koude-trilling en koude-energie. We moeten niet vergeten dat de kwaliteit van de warmte of de koude een kenmerk is en de vibratie en energie zijn andere kenmerken. De kwaliteit van warmte of koude is het vuur-element in de ultieme zin, terwijl de trillingen of de energie het wind-element is in de ultieme zin. Deze kwaliteit van trilling of energie wordt beschouwd als een krachtbron van het aarde-element, het water-element, en het vuur-element, die naast elkaar bestaan in dezelfde materiële eenheid (kalāpa). Deze naast elkaar bestaande grote primaire elementen moeten de trillingen of de energie van het wind-element vergezellen waar deze ook gaat. Wanneer de kracht van deze trilling of energie overmatig uitgroeit, ontwikkelt het zich tot een storm. Aangezien deze energie de kwaliteit of het kenmerk van ondersteuning of weerstand heeft, zoals kan worden waargenomen in luchtmatrassen of luchtkussens, hebben de schriftteksten het beschreven als een kenmerk van ondersteuning (vitthambhanalakkhaṇa). De koude kwaliteit van het vuur-element (sīta-tejo-dhātu), die inherent is aan de massieve Mount Meru, de omringende bergen, en de grote aarde, is in staat om zich, van moment tot moment te ontwikkelen, tot de uiteindelijke vernietiging of catastrofe van deze grote aarde. Je wordt hierbij aangespoord om na te denken totdat dit element volledig is begrepen.

Er zijn zulke ontwikkelingsprocessen zoals de groei en verspreiding over het hele lichaam van door het bewustzijn geproduceerde materiële eenheden (cittaja-rūpa-kalāpa) en van de temperatuur geproduceerde materiaaleenheden (utuja-rūpa-kalāpa), veroorzaakt door het ontstaan op de fysieke hartbasis van een bepaalde eenheid van bewustzijn. Er zijn zulke evolutieprocessen zoals de groei en de verspreiding van de voeding over het hele lichaam wanneer het materiële voedsel de maag bereikt. Er zijn zulke ontwikkelingsprocessen zoals de gestage groei en voortplanting van het fysieke lichaam van levende wezens, elk beginnend met zijn nucleïsche (kalala) vloeistof. Er zijn ook dergelijke ontwikkelingsprocessen zoals de groei en voortplanting van bomen, planten, kruipers, struiken en grassen, te beginnen met spruiten en scheuten. Al deze processen zijn toe te schrijven aan de opwekkingsfunctie van het wind-element.

Je moet dit wind-element in de massieve Mount Meru, in de aangrenzende bergen en in de grote aarde en in alles wat leeft en levenloos is beschouwen tot je met duidelijk begrip observeert dat de hele massa van deze objecten gevuld is met een ziedende massa van microscopische uitbarstingen en verbrandingen. Je moet beginnen met het observeren van de staat van beweging en onrust subjectief ten opzichte van je eigen lichaam, en observeer dan de soortgelijke toestand in alle andere objecten, zowel levend als levenloos. Met betrekking tot je eigen lichaam, moet de contemplatie betrekking hebben op het geheel, van de bovenkant van je hoofd tot de voetzolen. Je zult merken dat dit element, zoals we al eerder hebben gezegd, verstoken is van een kern of stof zelfs niet ter grootte van een atoom en als zodanig zou je het slechts moeten begrijpen als een beeld zoals dat van een man gereflecteerd op het oppervlak van helderblauw water of in een spiegel. Tijdens de oefening van contemplatie, kunnen het beeldende idee of de vertrouwde concepten van vormen, of massa’s ingrijpen je afleiden van het juiste pad. Je moet, in dergelijke gevallen, de hulp van wijsheid (paññā) zoeken en een einde maken aan dit concept (paññatti-dhamma), dat een niet bestaande entiteit is in de ultieme zin.

Hier eindigt de korte uiteenzetting van de methode van contemplatie van het wind-element met succesvolle diepgang.

Onderlinge Afhankelijkheid tussen Elk van de Vier Grote Primaire Elementen

Hardheid, cohesie, incubatiewarmte en trillingsenergie – elk van deze vier grote kwaliteiten of kenmerken is uit zichzelf prominent aanwezig door een eigen kenmerk of eigenschap. Ze bestaan naast elkaar als een enkele eenheid, gebaseerd op het element van hardheid, en dus ontstaan ze samen, verdwijnen samen en bestaan samen.

Als de hardheid of het aarde-element wordt vernietigd, zijn de andere drie elementen gedoemd om te worden vernietigd, omdat ze beroofd zouden worden van een basis voor hun bestaan.

Evenzo, als de samenhang of het water-element wordt vernietigd, zijn de andere elementen ook gedoemd te worden vernietigd omdat ze beroofd zouden worden van de bindende kracht en de wederzijdse steun.

Als het vuur-element met zijn eigenschap van broedende warmte en vitaliserende energie wordt vernietigd, zijn de andere drie elementen ook gedoemd om te worden vernietigd en te verdwijnen, omdat ze niet volledig kunnen bestaan in aanvulling op zichzelf.

Als de vibratie/compressie of het wind-element wordt vernietigd, zijn de overige elementen gedoemd om ook te worden vernietigd, omdat ze beroofd worden van hun kracht.

Het vuur-element, met zijn eigenschappen van warmte of koude, kan alleen bestaan in combinatie met het wind-element met zijn attributen die energie of beweging opwekt. Als het wind-element afwezig is, wordt het vuur-element beroofd van kracht, en verdwijnt onmiddellijk.

 Evenzo, als het wind-element, met zijn eigenschap van compressie die de kwaliteit van de hardheid van het aarde-element ondersteunt, wordt vernietigd, zou het aarde-element van zijn kracht worden beroofd en dus gedoemd zijn om uit te sterven.

Evenzo, als het wind-element, met zijn eigenschap van compressie die de kwaliteit van de cohesie van het water-element ondersteunt afwezig is, zal het water-element worden beroofd van zijn kracht en dus gedoemd zijn om uit te sterven.

Dit is de verklaring voor de onderlinge afhankelijkheid tussen elk van de vier grote primaire elementen en van het feit dat het verdwijnen van een van hen de totale verdwijning van de anderen betekent.

Buiten het Bereik van het Speculatieve Denken

De rol die de vier grote primaire elementen spelen in alle dingen, levend of levenloos, is zo groots en prachtig dat het ondenkbaar is (acinteyya), d.w.z. iets dat buiten het bereik is van speculatief denken of redeneren. Ook psychische krachten en krachten die betrokken zijn bij deze elementen zijn zo enorm dat ze ook buiten het bereik liggen van speculatief denken.

Als men de methode onderzoekt en volgt die door de Boeddha, met doordringend inzicht en het uiterste streven is verkondigd, kan men een succesvolle doorbraak realiseren en de bovenwereldse kennis bereiken van de Nobelen (lokuttaraariya-vijjā). Als, aan de andere kant, je de methode van de tovenaars (vijjā) onderzoekt en volgt, kan je een succesvolle doorbraak realiseren en de wereldse occulte en magische krachten met enorme mogelijkheden (lokiya-gandhāri-vijjā) verwerven.

Als een succesvolle doorbraak kan worden gemaakt door het volgen van een middelmatige methode, kan men nog steeds een hogere kennis bereiken in (a) medische wetenschap (geneeskunde), (b) chemische wetenschap (chemie), of (c) mechanische wetenschap (techniek).

Van deze vier grote primaire elementen overheerst het vuur-element en speelt de hoofdrol. Het hele universum dat de grote aarde, met haar bestanddelen van land en water, met alle dingen van kleur en vorm omvat, hetzij levend, hetzij levenloos zijn alle producten van het vuur-element. De krachten van dit element en hun mogelijkheden liggen alleen binnen het bereik van de hoogste kennis of alwetendheid (sabbaññuta-ñāṇa) van de Verlichte Boeddha’s.

Hier eindigt de versterkte betekenis van de term cātummahābhūtiko uitgedrukt in het eerste punt van de matrix.

Tweede Item van de Matrix

De Zes Spiegelachtige Elementen

In het tweede punt van de matrix is de volgende beschrijving opgenomen: “Het hele interieur (van het lichaam) is opgemaakt met zes soorten heldere elementen als spiegels (chappasāda-maṇḍo).” Er kan in dit verband worden gewezen op het feit dat volgens de regels van grammatica en etymologie drie Pali woorden, pasādo, maṇḍo, en accho dezelfde betekenis uitdrukken, te weten ‘spiegelachtige helderheid’.

Van de drie is het woord maṇḍa geabsorbeerd in de Birmaanse taal als phan (kristal) en mand (glas) waarvan de Birmese uitdrukking hman (glas of spiegel) vandaag de dag een afgeleide is.

Dit glaselement (chappasāda-maṇḍo) is van twee soorten, namelijk: (1) het temperatuur geproduceerde glaselement (utujamaṇḍa- dhātu), en (2) het geproduceerde glaselement (kammaja-maṇḍa-dhātu) door wilsuiting (kamma). Van deze twee, valt het glaswerk dat in de glazen industriële wijken van Rangoon en Mandalay wordt geproduceerd, d.w.z. optische glazen, ook microscoop- en telescooplenzen, binnen de categorie van de temperatuur geproduceerde glaselementen. Echter valt het glaselement, gevormd in de lichamen van bewuste wezens, binnen de categorie van geproduceerde glaselementen door wilsuiting (kamma). In de laatste categorie zijn er zes soorten glaselementen:

  1. Het spiegelachtige element, genaamd het oog (cakkhu-pasāda)
  2. Het spiegelachtige element, genaamd het oor (sota-pasāda)
  3. Het spiegelachtige element, genaamd de neus (ghāṇa-pasāda)
  4. Het spiegelachtige element, genaamd de tong (jivhā-pasāda)
  5. Het spiegelachtige element, genaamd het lichaam (kāya-pasāda)
  6. Het spiegelachtige element, genaamd de bewustzijnsbasis (manāyatana)

Wat betreft de plaats van hun locatie:

  1. Het spiegelachtige element van het oog ligt in het oog-orgaan
  2. Het spiegelachtige element van het oor ligt in het oor-orgaan.
  3. Het spiegelachtige element van de neus ligt in het neus-orgaan.
  4. Het spiegelachtige element van de tong ligt in het oppervlak van het tong-orgaan.
  5. Het spiegelachtige element van het lichaam ligt door het hele lichaam heen.
  6. Het spiegelachtige element van het bewustzijn ligt in het hart.

Voor de inzicht-beoefenaar (yogī) die de zes spiegelachtige elementen duidelijk begrijpt, lijkt dit lichaam van vijf aggregaten zeer veel op een buitengewoon heldere en heldere massa of zuil van kristal of glas.

In de synopsis van ‘deur’ (dvāra-saṅgaha) in de Uitgebreide Handleiding van Abhidhamma (Abhidhammatthasaṅgaha) worden de zes glasheldere elementen ook wel ‘deuren’ (dvāra) genoemd.

Twee Soorten Deuren

De term dvāra betekent ‘deur’ of ‘opening’, die van tweeërlei aard is, namelijk: (1) ruimte-opening (ākāsa-dvāra) en (2) glazen-deur opening (maṇḍa-dvāra). In de huizen van de welgestelden bestaan twee soorten deuren. De eerste soort bestaat uit deuren die vastzitten aan openingen voor het binnenkomen of naar buiten gaan van personen, en deuren die zijn bevestigd aan openingen voor het naar binnen komen en naar buiten gaan van lucht. De tweede soort deur heeft geen opening, maar is voorzien van plaatglas en heet ‘deur van transparantie’, of ‘deur van licht’.

In het geval van de deuren die voorzien zijn van plaatglas, worden de beelden van dingen en voorwerpen die ver of dichtbij zijn, zoals de zon, maan, sterren, hemellichamen, wolken, blauw-lucht, landmassa’s, waterpartijen, bossen, bergen, bomen, huizen en woningen, kloosters, reservoirs, pagodes, heiligdommen, etc., weerspiegeld in hun originele vormen en kleuren in zo’n plaatglas. De bewoners van het huis, zelfs als ze er in verblijven, kunnen alle beelden van de zon, de maan, het zonlicht, het maanlicht, etc., in hun geheel zien, zoals die weerspiegeld worden in het glas van de plaat. Als ze van buitenaf naar binnen in het huis kijken door zo’n plaatglazen deur, kunnen ze ook de objecten in het huis in zijn geheel zien. Al het zon-, maan- en lamplicht, zijn inderdaad metgezellen van de glasplaat van dergelijke deuren. Net zoals het grote huis dat in de bovenstaande gelijkenis wordt genoemd overal twee soorten deuren heeft, zo heeft het lichaam van elke man, godheid, oerwoud, buffel, olifant, paard, gevogelte, of vogel ook twee soorten deuren, namelijk: (1) ruimte-deur en (2) glas-deur.

De Rumte-Deur

De ruimte-deur bestaat uit (1) de groep die bekend staat als de ‘negen openingen’ met inbegrip van de mondopening, de keelopening, de opening van de neus waardoor het neusafval wordt afgevoerd, de oogopeningen waardoor de tranen worden geloosd, etc., en (2) de groep die bekend staat als de negenennegentigduizend kleine openingen of poriën van de huid.

De bovengenoemde door de wil geproduceerde spiegelachtige elementen van het binnenste (ajjhatta-kammaja-dhātu-maṇḍa) worden genoemd:

  1. Het spiegelachtige element van het gevoelige oogorgaan
  2. Het spiegelachtige element van het gevoelige oororgaan
  3. Het spiegelachtige element van het gevoelige neusorgaan
  4. Het spiegelachtige element van het gevoelige tongorgaan
  5. Het spiegelachtige element van het gevoelige lichaamsorgaan
  6. Het spiegelachtige element van de bewustzijnsbasis

Dit zijn echter geen deuren met ruimte openingen. Het zijn louter spiegelachtige glazen deuren die licht toelaten en beelden reflecteren. De functies van deze zes door de wil geproduceerde spiegelachtige elementen kunnen als volgt worden geïllustreerd. Verondersteld wordt dat er een landhuis is met zijn dak, wanden en raambeslag vol met kristal en plaatglas. In het midden van dat herenhuis er is ook een onvergelijkbare en buitengewoon duidelijke en transparante kristallen bol. De beelden van wolkenbanken die voorbij drijven, en beelden van de zon, de maan en de sterren en van hemellichamen, en beelden van de voorbijvliegende vogels boven in de lucht komen door de transparante glazen daken binnen en worden gereflecteerd op de kristallen bol binnenin dat landhuis. De beelden van de zon en de maan worden gelijktijdig gereflecteerd op het glas-dak en op de kristallen bal. Evenzo worden de beelden van alle objecten in de lucht hierboven in een keer weerspiegeld zowel op het glasdak als op de kristallen bol in het landhuis.

Op dezelfde manier worden de beelden van de objecten aan de oostzijde van het landhuis tegelijkertijd gereflecteerd op de glasplaat aan de oostkant en op de kristallen bol in het midden van het landhuis. De beelden van objecten op de west, zuid- en noordzijden worden op dezelfde manier gereflecteerd. De beelden van objecten onder dat herenhuis worden ook gereflecteerd op de transparante glasvloeren en in de kristallen bol in het midden van het gebouw.

Overeenkomstig met de kristallen bol in het herenhuis van de bovenstaande gelijkenis, bestaat er in het hart binnenin dit fysieke lichaam een grote kristallen bol, genaamd de bewustzijns-basis (mano). In het Boek van de Enen in de Aṅguttara Nikāya, heeft de Boeddha verklaard: “Dit bewustzijn, Oh monniken, straalt met schitterende helderheid” (pabhassaram-idaṃ bhikkhave cittaṃ). Het spiegelachtige element van de bewustzijnsbasis, die mano wordt genoemd, straalt daarom met een schitterende helderheid.

Zelfs in het geval van bewustzijn zonder wortelcondities (ahetuka-citta), weerspiegelt een mentaal beeld van de gebeurtenissen in het verleden in dat spiegelachtig element van iemands bewustzijnsbasis wanneer aandacht wordt besteed een bepaalde ervaring van iemands verleden.

In dergelijke gevallen wordt de helderheid van de reflectie op de spiegelachtige bewustzijnsbasis zonder wortel-condities overtroffen door de helderheid van reflectie op de bewustzijnsbasis met twee (edele) wortelcondities (dvihetuka), namelijk: vrijgevigheid[1] en vriendelijkheid. Ook de helderheid van reflectie op de bewustzijnsbasis met twee (nobele) basiscondities wordt overtroffen door de helderheid van de reflectie op de bewustzijnsbasis met drie (nobele) wortelcondities (tihetuka), namelijk: vrijgevigheid, vriendelijkheid en wijsheid.

In termen van bestaansgebieden (bhūmi), wordt de helderheid van reflectie op de bewustzijnsbasis in de menselijke wereld met drie (nobele) wortel-condities, overtroffen door de helderheid van de reflectie op de bewustzijnsbasis van de aardgoden. De helderheid van de reflectie op de bewustzijnsbasis van de aardgoden wordt op zijn beurt overtroffen door die van de goden van de Tāvatiṃsa hemel, die op zijn beurt wordt overtroffen door dat van de goden van de Yāmā-hemel, enzovoort, enzovoort, tot het hoogste niveau van bestaan (bhavagga) wordt bereikt.

In termen van individuen (puggala), wordt de helderheid van de reflectie op de bewustzijnsbasis van wereldburgers (puthujjana) overtroffen door de helderheid van de reflectie op de bewustzijnsbasis van de gewone verlichte Nobele Discipelen (pakati-sāvaka-bodhi), dat wordt overtroffen in opvolging door een duidelijke reflectie op de bewustzijnsbasis, respectievelijk van de grote verlichte Nobele Discipelen (mahā-sāvaka-bodhi), van de Individuele of Boeddha’s die niet onderwijzen (pacceka-bodhi), en van de Volmaakt Verlichte of Alwetende Boeddha’s (sabbaññuta-bodhi). Van deze heeft de bewustzijnsbasis van de Verlichte Boeddha’s de top bereikt, waarbuiten geen ruimte meer is voor verdere vooruitgang.

In zulke oneindigheden (ananta) zoals universa, wereldsystemen, bewuste wezens, formaties van geconditioneerde dingen (saṅkhāra), benamingen of concepten (paññatti-dhamma) en het afzonderlijke element van het ongeconditioneerde Nibbāna (nibbāna-eka), er is geen enkele die niet reflecteert op de bewustzijnsbasis van de Volmaakt Verlichte, de Alwetende. Alle objecten moeten reflecteren op die bewustzijnsbasis, die kan worden vergeleken met de kristallen bol in het eerdergenoemde landhuis. De vijf fysieke zintuigen van ‘gevoelige materie’ (pasāda-rūpa) bestaande uit:

het gevoelige oogorgaan (cakkhu-pasāda), het gevoelige oororgaan (sota-pasāda), het gevoelige neusorgaan (ghāṇa-pasāda), het gevoelige tongorgaan (jivhā-pasāda), het gevoelige lichaamsorgaan (kāya-pasāda), zijn net als het plaatglas dat aan de zes zijden is aangebracht (oost, west, ten noorden, ten zuiden, boven en onder) van het landhuis dat boven als voorbeeld is gebruikt.

Alle zichtbare vormobjecten komen vast en zeker uit bij hun tweeledige bestemming, namelijk gevoelig oogorgaan en bewustzijnsbasis (manāyatana). Alle geluiden komen vast en zeker aan bij hun tweeledige bestemmingen, namelijk: gevoelig oororgaan, en bewustzijnsbasis. Alle geuren of geuren zijn gebonden aan hun tweeledige bestemmingen, namelijk: gevoelig neusorgaan, en bewustzijnsbasis. Alle smaken zullen zeker aankomen bij hun tweeledige bestemming, namelijk: gevoelig tongorgaan en bewustzijnsbasis. Alle gevoel voor aanraking met de elementen van warmte of koude, hardheid of zachtheid, zal zeker aankomen op hun tweeledige bestemmingen, namelijk: gevoelig lichaamsorgaan dat verspreid is over het hele lichaam en de bewustzijnsbasis. Alle andere bewustzijnsobjecten (dhammārammaṇa) zullen zeker op hun enige bestemming aan komen, namelijk: de bewustzijnsbasis.

Dus, als men met de ogen omhoog kijkt in de lucht, wordt het beeld van de maan, die met glans en pracht en praal schijnt, weerspiegeld in het gevoelige oogorgaan, terwijl een ander beeld met dezelfde attributen tegelijkertijd wordt gereflecteerd in de bewustzijnsbasis, die in het hart (hadaya-vatthu) ligt. De twee beelden moeten dus op de twee verschillende plaatsen verschijnen met noch de ene voorafgaand aan de andere, noch de andere opvolgend.

Gelijktijdigheid bij het Optreden van Gebeurtenissen

Het voorbeeld van twee gebeurtenissen die zich tegelijkertijd voordoen waarbij geen van beide  vooraf gaat aan of volgt op de andere kan worden waargenomen in de handeling van een vogel die op het takje van een boom stapt, waarin zowel de vogel als zijn schaduw tegelijkertijd in contact komt met de tak van de boom en zijn schaduw. Het kan ook worden waargenomen in de handeling van een man, en van zijn beeld in de spiegel, beide lachend op hetzelfde moment waarbij geen van beide de andere voorafgaat of opvolgt. Het kan ook worden waargenomen in de bovengenoemde gelijkenis van het landhuis dat is voorzien van plaatglasramen aan alle zijden en een enorme kristallen bol in het midden ervan. Het enorme beeld van de zon die opkomt in het oosten komt binnen door het glasplaatraam op de oostelijke muur van het landhuis en reflecteert zijn stralende pracht op de kristallen bol in het midden van dat landhuis. Door alleen al naar deze kristallen bol te kijken zonder de noodzaak om naar het oosten te kijken, kan iedereen nog steeds het enorme beeld van de zon zien.

Op basis van dezelfde analogie, als je naar de hemel kijkt om de maan met eigen ogen te zien, komt het beeld van de stralende maan binnen door middel van het door de wil geproduceerde spiegelachtige element (kammajamaṇḍa- dhātu), dat het oogorgaan wordt genoemd, en reflecteert op het door de wil geproduceerde spiegelachtige element genaamd de bewustzijnsbasis (manāyatana), die zich in het hart bevindt. Beide spiegelbeelden van het maanbeeld op de spiegelachtige elementen van het oogorgaan en de bewustzijnsbasis vinden tegelijkertijd plaats.

Echter in het geval van het vervagen of verdwijnen van maanbeelden, is er een verschil. Het maanbeeld dat wordt gereflecteerd op het spiegelachtige element van het oogorgaan kan zijn vervaagd, maar voor het maanbeeld dat op de hartbasis wordt gereflecteerd hoeft dit niet zo te zijn en kan het blijven hangen. Dit feit is belangrijk en moet zorgvuldig geobserveerd tot het met doordringend inzicht wordt gerealiseerd.

Als men dit punt goed begrijpt, zal men in staat zijn om hetzelfde fenomeen met doordringend inzicht te realiseren met betrekking tot alle zes zintuiglijke basissen.

Beschouwing van de Impact op het Oog en de Bewustzijnsbasissen

De reflectie van dat maanbeeld op de spiegelachtige elementen van het oogorgaan en de hartbasis maken een impact die net zo geweldig is als het inslaan van een bliksemschicht. Ook wanneer men omhoog kijkt naar de zon aan de hemel, wordt één beeld van de zon gereflecteerd op het gevoelige oogorgaan en een ander soortgelijk beeld wordt ook gereflecteerd op het spiegelachtige element van de bewustzijnsbasis. Beide gebeurtenissen vinden gelijktijdig plaats zonder dat de één aan de ander voorafgaat, noch dat de één de ander opvolgt. Hetzelfde geldt als men naar een boom kijkt. Eén beeld van de boom reflecteert op het gevoelige oogorgaan en een andere soortgelijk beeld reflecteert op het spiegelachtige element van de bewustzijnsbasis. Beide gebeurtenissen vinden op hetzelfde moment plaats.

In het geval van het zien van een persoon, wordt één beeld van die persoon gereflecteerd op de oogbasis, terwijl een ander soortgelijk beeld op hetzelfde moment wordt gereflecteerd op de bewustzijnsbasis. Een dergelijke reflectie maakt een impact vergelijkbaar in ontzagwekkendheid met dat van het inslaan van een bliksemschicht. Het moet worden begrepen dat hetzelfde geldt voor de reflectie van beelden van alle visuele objecten op de oogbasis en bewustzijnsbasis. [Net zoals het samenspel van donderwolken bliksemflitsen voortbrengen. Net zoals een meteoor die door de lucht raast een vallende ster voortbrengt.] Net zoals geluid wordt geproduceerd door de botsing van een hard voorwerp tegen een ander hard voorwerp en net als vonken van vuur worden geproduceerd door een vuursteen die tegen staal wordt geslagen, evenzo ontstaat het element van oogbewustzijn in een kookproces van het gevoelige oogorgaan als nawerking van de impact van een beeld van zo’n visueel object als dat van de maan op het gevoelige oogorgaan, die wordt vergeleken met de enorme impact van een inslaande bliksemschicht. Het wordt ‘oogbewustzijnselement’ genoemd (cakkhu-viññāṇa-dhātu) omdat de impact op het gevoelige oogorgaan plaatsvindt. Wanneer de kracht van een dergelijke impact vervaagt, sterft dat element van het oogbewustzijn ook uit, net als een vuurtje dat uitdooft. Door de kracht van de impact op het spiegelachtige element van de bewustzijnsbasis ontstaat het gedachteproces (vīthi-citta) die het visuele object van de genoemde maan kent op een manier die vergelijkbaar is met opkokend water. Het is net als de materiële eenheden (kalāpa) van een galmend geluid dat ontstaat wanneer een bel of draaiende messing gong met een hamer of moker wordt geslagen. Wanneer de stootkracht van de klap uitdooft, sterft het galmende geluid ook uit. Op grond van dezelfde analogie sterft het proces van oogbewustzijn uit wanneer de kracht van de impact, veroorzaakt door de weerkaatsing van het beeld van de genoemde maan, vervaagt. Het moet worden begrepen dat hetzelfde geldt voor beeldreflecties van alle andere visuele objecten op de oogbasis.

Hier eindigt de verhandeling over de methode van contemplatie van het punt van samenvoeging van de drie elementen, namelijk: (1) het gevoelige oogorgaan, (2) visueel object, en (3) oogbewustzijn dat zou leiden tot het bereiken in één klap van inzicht-wijsheid.

Beschouwing van de Impact op het Oor en de Bewustzijnbasissen

Het hoorbare geluid van regen, het geluid van vallend water, het geluid van een trommel, het geluid van een bel, de stem van een man, het geblaf van een hond, het kraaien van een haan, of het getjilp van een vogel, reflecteert met een invloed op zowel het spiegelachtige element dat ‘gevoelig oororgaan’ wordt genoemd als het spiegelachtige element van de bewustzijnsbasis, dat zich binnenin het hart bevindt. Beide gebeurtenissen vinden op hetzelfde moment plaats met geen van beide voorafgaand aan of volgend op de andere. De kracht van een dergelijke impact is net zo geweldig als het inslaan van een bliksemschicht. Door de kracht van impact van dat hoorbare geluid op het spiegelachtige element van het gevoelige oororgaan, ontstaat een denkproces dat ‘oor-bewustzijn’ wordt genoemd op een manier die vergelijkbaar is met opkokend water. Dit bewustzijn heet ‘oor-bewustzijnselement’ (sota-viññāṇa-dhātu) omdat de impact plaats vindt op het gevoelige oororgaan. Wanneer dat geluid ophoudt, sterft ook dit oorbewustzijn uit en verdwijnt. Door de kracht van de impact op het spiegelachtige element van de bewustzijnsbasis, ontstaat het proces van gedachtemomenten (vīthi-citta), het herkennen van een dergelijk geluid, op een manier die vergelijkbaar is met opkokend water. Zoals in het geval van het geluid van de bel in het bovenstaande voorbeeld sterft dat proces van oorbewustzijn uit en verdwijnt als de kracht van de impact van dat geluid afneemt. Het moet worden begrepen dat hetzelfde geldt voor allerlei soorten geluiden gehoord door het oororgaan.

Hier eindigt de verhandeling over de methode van het overwegen van het punt van samenvoeging van de drie elementen, namelijk: (1) het gevoelige oororgaan, (2) geluid, en (3) oorbewustzijn dat zou leiden tot het in één klap bereiken van inzicht-wijsheid.

Beschouwing van de Impact op de Andere Basissen

Met betrekking tot de volgende twee triades, namelijk:

  1. Het spiegelachtige element bij het gevoelige neusorgaan, genaamd ghāṇa-pasāda
  2. Diverse geuren, genaamd gandhārammaṇa
  3. Neus-bewustzijnselement, genaamd ghāṇa-viññāṇa-dhātu.
  4. Het spiegelachtige element op het gevoelige tongorgaan, genaamd jivhā-pasāda
  5. Verschillende smaken zoals zoetigheid of zuurheid, genaamd rasārammaṇa
  6. Tongbewustzijnselement, genaamd jivhā-viññāṇa-dhātu.

Het punt van samenhang van elke triade, samen met het proces van het ontstaan en het uiteenvallen ervan, moeten worden beschouwd als in het geval van het gevoelige oogorgaan en het gevoelige oororgaan, zoals uitgelegd, totdat een doordringend inzicht volledig is bereikt.

Beschouwing van de Impact op het Gevoelige Lichaamsorgaan

Het gevoelige lichaamsorgaan (kāya-pasāda) is verspreid in al het vlees en bloedweefsel in het hele lichaamssysteem vanaf de top van het hoofd tot de voetzolen. Elk deel van het lichaam dat pijn voelt wanneer geprikt met een spitse naald is doordrongen met het gevoelige lichaamsorgaan. Allerlei soorten gevoel van hardheid of zachtheid die behoren tot de groep van het aarde-element, van warmte of koude die behoren tot de groep van het vuur-element, of van de kracht van de wind, hetzij sterk of zwak, behorend tot de groep van het wind-element, komen vast en zeker uit op hun bestemming van de impact op het gevoelige lichaamsorgaan.

Er is dat deel van de voetzolen dat een gevoel van warmte ervaart bij blootstelling aan een oven, of van koude wanneer overgoten met water. Dergelijke sensaties ervaren door dat deel van het lichaam worden gelijktijdig gereflecteerd met een impactkracht (1) op de gevoelige lichaamsorganen die zich op de voetzolen bevinden, en (2) op het spiegelachtige element van de bewustzijnsbasis dat zich binnen het hart bevindt. De kracht van een dergelijke impact is net zo groot als die van een invallende bliksemflits. Als nawerking van deze kracht ontstaat het element van het lichaamsbewustzijn (kāya-viññāṇa-dhātu) overal in het oppervlak van de voetzolen. Tegelijkertijd verschijnt het proces van gedachtemomenten (vīthi-citta) van bewustzijn van deze gewaarwordingen van warmte of koude als een vloeiende stroom. Wanneer dergelijke sensaties van warmte of koude van het aanraakvlak verdwijnen, verdwijnen het element van bewustzijn en het proces van gedachtemomenten ook en sterven weg.

Het moet worden begrepen dat hetzelfde geldt voor alle delen van het lichaam waar de sensaties van hitte, kou, pijn, schok, jeuk, vermoeidheid, gevoelloosheid, verstopping van inwendige organen, kloppen of pulsatie worden gevoeld.

Hier eindigt de verhandeling over de methode van het beschouwen van het punt van samenhang van de drie elementen, namelijk: (1) het gevoelige lichaamsorgaan, (2) lichaamsimpressie (phoṭṭhabbārammaṇa) en (3) lichaamsbewustzijn, tot doordringend inzicht volledig is bereikt.

Het Spiegelachtige Elememt van de Bewustzijnsbasis

Het onophoudelijke ontstaan van het onderbewuste ‘levenscontinuüm’ (bhavaṅga-citta), dat als een bergbron altijd met een schittering van briljant licht in het hart sprankelt, wordt het spiegelachtige element van de bewustzijnsbasis genoemd. Dit spiegelachtige element van de bewustzijnsbasis, of bhavaṅga-citta, [wanneer niet onderbroken door een denkproces (vīthi-citta)] richt zich op het bewustzijnsobject (dhammārammaṇa) met betrekking tot een voormalige geboorte [zich daar herinnerend op het moment voor de dood]. Het zich op die manier richten is echter geen bepaalde functie (zoals dat van een werkend bewustzijn) maar slechts een onbepaald bewustzijn, en het object van dit onderbewustzijn wordt niet gereflecteerd in het bewustzijn van dat individu. Want, er kan niet zoiets zijn als, “Ik was in mijn onderbewustzijn bewust van een bepaald bewustzijnsobject tijdens de droomloze periode van mijn slaap gedurende de hele nacht.” Wanneer het spiegelachtige element van de bewustzijnsbasis stroomt als de stroom van een rivier (zonder onderbreking door een proces van denken of dromen) is de persoon in kwestie als in een staat die verwant is aan de dood.

In gevallen waarin het beeld van een zintuiglijk voorwerp zoals dat van de zon of de maan, in het gezichtsveld komt, werkt het in op het gevoelige oogorgaan (cakkhu-pasāda), dat een van de vijf zintuigorganen is, en veroorzaakt daardoor een geweldige beving in de onderbewuste stroom (bhavaṅga-sota), net als de bibbering die wordt veroorzaakt wanneer een slang of regenworm wordt verstoord met een staf of speer. Echter, zodra de onderbewuste stroom is verbroken, breekt het functionele bewustzijnselement, het grijpen van het object, door deze onderbewuste stroom heen en voert de functie uit van het kennen van het object in een proces van bewuste momenten (vīthi-citta) die zich voordoen zoals een reeks flitsen van een meteoor of vallende sterren aan de hemel.

In gevallen waarin het proces van innerlijk bewustzijn, of geestesbewustzijn uitsluitend plaats vindt in de bewustzijnsbasis, dat is, zonder de deelname van de vijf fysieke zintuigbewustzijn van zien, horen, ruiken, proeven, en lichamelijk contact, wordt de onderbewuste stroom (bhavaṅga-sota) met een geweldige beving verbroken op dezelfde manier als hierboven beschreven. Dan volgt het zich richten (āvajjana) en de voortstuwing (javana), die ontstaan om hun respectievelijke functies te vervullen binnen het proces van het bewustzijn. Wanneer de kracht van de impact van het zintuiglijke object op het bewustzijnselement stopt, sterven deze functies van het zich naar het object richten en de voorstuwing ook uit en verdwijnen, net als de reeks flitsen van een meteoor of vallende ster vervagen en verdwijnen.

Hier eindigt de verhandeling over de methode van het overwegen van het punt van samenvoeging van de drie elementen, namelijk: (1) de spiegelachtige element van de bewustzijnsbasis, genaamd ‘onderbewustzijn’. (bhavaṅga), (2) bewustzijnsobject (dhammārammaṇa), en (3) bewustzijnselement (mano-viññāṇa-dhātu) tot doordringend inzicht volledig is gerealiseerd.

Hier eindigt ook de betekenis van de beschrijving in het tweede item van de matrix (mātikā) als: Zijn gehele binnenste (d.w.z., van het lichaam) is gedecoreerd met zes soorten heldere en stralende spiegelachtige elementen (chappasāda-maṇḍo).

Derde Item van de Matrix

Thermische Condities of Temperatuur

Het derde punt wordt als volgt beschreven: “Het (d.w.z., dit lichaam) is een product van tien soorten thermische omstandigheden of temperatuur” (ayaṃ kāyo utūnaṃ udayo).

De interpretatie die in de geschriften van deze term (utu) wordt gegeven is: “Arati pavattatīti utu.”, wat betekent: “Het heeft het kenmerk van het zich eindeloos voordoen.”

De geïmproviseerde interpretatie van deze term (utu) is: “Udati pasavatīti utu. Udanti pasavanti etena okāsa-satta-saṅkhāra-lokāti utu,” hetgeen betekent: “Het wordt temperatuur (utu) genoemd. Het is in staat om groei en evolutie te genereren.”Door dit element zijn een oneindig aantal werelden die worden geclassificeerd als (a) de wereld van bewuste wezens (satta-loka), (b) de wereld van formaties (of geconditioneerde dingen) (saṅkhāraloka), en (c) het fysieke universum (of de wereld van ruimte) (okāsa-loka) in eindeloze opeenvolging geëvolueerd in de loop van de eeuwigheid.”

De term utu impliceert in feite het element van het vuur, dat tejo-dhātu genoemd wordt zoals eerder beschreven. Het is dit vuur-element dat de groei en evolutie in de eindeloze opeenvolging van wereldsystemen in de loop van de eeuwigheid genereert. Het is dit vuur-element dat ontelbare (triljoenen) universums, of melkwegstelsels, die elk bestaan uit ontelbare miljarden wereldsystemen. Volgens onze theorie, rust de grote aarde met haar lagen van rotsen en stof (silā-paṃsu), die 240.000 yojana’s diep is, op een massa water die 480.000 yojana’s diep is, die op hun beurt op een massa lucht rusten met een diepte van 960.000 yojana’s. De grote aarde ondersteunt op zijn beurt Mount Meru, het aangrenzende gebergte, het Himalaya gebergte, de zeven grote meren, de vier grote oceanen, de zeven omliggende bergketens rond Mount Meru afgewisseld met zeven opeenvolgende oceanen van intense kou, de vier grote eilanden en de tweeduizend kleinere. Al deze massa’s land en water inclusief alle bos- en bergmassa’s en alle bestaansgebieden bestaande uit de vier lagere werelden, de menselijke wereld, de zes hemelse verblijfplaatsen van de goden, de twintig verblijfplaatsen van Brahmanen die gaan tot de aan hoogste Akaniṭṭhā-bestaansgebieden in de vormrijken, of het nu gaat om het behoren tot een fysiek universum of een wereld van de ruimte, ze zijn al het creatieve werk van het vuur-element of het element van warmte en koude (tejo-dhātu).

(De krachten en mogelijkheden van het element warmte en koude kan worden beoordeeld door een studie van de Satta Suriyopama Sutta en Aggañña Sutta van Dīgha-Nikāya, met de bijbehorende commentaren, die een gedetailleerd verslag geven van de vernietiging van een oude wereldcyclus en de evolutie van een nieuwe.)

Van de drie kardinale elementen van vernietiging, d.w.z. vuur, water en wind, betekent het vuurelement het element van hitte, dat uṇha-tejo wordt genoemd. Wanneer wordt gezegd dat de grote aarde door water wordt vernietigd, betekent dit niet dat de vernietiging door het water zelf wordt teweeggebracht. Het impliceert dat het vuurelement als koude (sīta-tejo), dat verbonden is of synoniem is met het waterelement (āpo-dhātu), de eigenlijke vernietiger is. De vernietiging door het element kou moet dus beschouwd worden als vernietiging door water. In het geval van een wereldcyclus die door het element wind wordt vernietigd, moet men bedenken dat het element hitte (uṇha-tejo) de voornaamste voortbrenger van dat windelement is. Dus de voornaamste veroorzaker van die grote zondvloed of cataclysme is het vuurelement (tejo-dhātu). Als een element dat manifesteert, voortbrengt, voortbrengt wat niet voortgebracht is, ontwikkelt wat wel voortgebracht is, is het vuurelement ook de bouwer of schepper van het universum.

Hier eindigt de verhandeling over de opbouw van het fysieke universum, of de wereld van de ruimte (okāsa-loka).

De Wereld van Bewuste Wezens

In het geval van de wereld van bewuste wezens (satta-loka), moet men de omvang van de krachten en mogelijkheden van het vuur-element beoordelen door een studie te maken van het proces van ontstaan en de ontwikkeling van fysieke lichamen van verschillende grootte, variërend van dat van het kleinste schepsel, dat normaal gesproken onzichtbaar is voor het oog, naar dat van het reusachtige lichaam van de grote Brahmā in het hoogste bestaansniveau van het vormrijk, Akaniṭṭhā genaamd.

Een studie van het onderwerp zal het feit onthullen dat de oorspronkelijke materiële eenheden (rūpa-kalāpa) van bewuste wezens in het rijk van de vorm in de eerste ontwikkelingsfase (ṭhiti), het moment van hun conceptie in de baarmoeder van een moeder, worden geconditioneerd door de wilsacties (kamma) die zij in het verleden hebben uitgevoerd. Het is de functie van het vuur-element (tejo-dhātu) om in de juiste volgorde, het ontstaan, de continuïteit, de groei en de ontwikkeling van de materiële eenheden uit die eerste ontwikkelingsfase (ṭhiti) van het eerste moment van conceptie te bevorderen en om verschillende fysieke organen van het lichaam op te bouwen. De door karma geproduceerde materie (kammaja-rūpa), de door het bewustzijn geproduceerde materie (cittaja-rūpa) en de door voedsel geproduceerde materie (āhāraja-rūpa) ontstaan in volgorde volgens de ontwikkeling van fysieke organen van het lichaam die door het vuur-element worden opgewekt. Het is net als de groei van een lotus die zich verspreidt naar alle delen van een meer voor zover de breedte van het oppervlak dat toelaat.

De levensduur in de dierenwereld, in de wereld van mensen, en van de goden in de hemelse sferen wordt ook beïnvloed en bepaald door dit vuur-element. Er zijn verschillende gradaties van stabiliteit van het vuur-element (warmte of koude) en diverse gradaties van subtiliteit van de fysieke lichamen die de fysieke basis vormen van dit element. Lange levensduren corresponderen ook op een gegradueerde schaal met deze gradaties van stabiliteit en subtiliteit. En bovendien zijn er verschillende gradaties van instabiliteit van het vuur-element en grofheid van de lichamen die de fysieke basis vormen van dit element. Korte levensduren op een gegradueerde schaal komen ook overeen met dezelfde gradaties van instabiliteit en grofheid.

In het geval van in de baarmoeder geboren bewuste wezens (gabbha-seyakasatta) wordt het element van warmte genaamd ‘utu’, dat wordt geproduceerd door de bevruchting van een eicel door sperma tijdens de seksuele voortplanting door beide ouders, bijgedragen als een erfelijke factor van zowel vader als moeder. Als de ontkiemer van alle materiële fenomenen, is het element van warmte (utu) de kosmische ontkiemer (jātiniyāma- rūpa) van bewuste wezens, net zoals het de kosmische materie-ontkiemer is (bīja-niyāma-rūpa) van het plantenrijk, wat planten, bomen, enz. omvat. Als een vaste (natuurlijke) orde, erft het nageslacht kenmerken zoals vormen en kenmerken van zijn moeder- of vaders kant. In het geval van kruisingen, zoals tussen een slangenkoning en een mens of tussen een nimf en een mens, mag worden aangenomen dat de verworven kenmerken worden geërfd van de moeder- of vaderlijke kant met een sterkere voedingsessentie in het fysieke lichaam (karaja-rūpa-ojā).

Hier eindigt de verhandeling over de opbouw van de wereld van bewuste wezens (satta-loka).

De Wereld van Geconditioneerde Dingen

De wereld van geconditioneerde dingen in het algemeen (saṅkhāra-loka) die planten, bomen, kruipers, struiken, struiken, enz. omvat is slechts een product van het element warmte. Dit vuur-element creëert allerlei planten, bomen, kruipers, struiken en heesters, samen met allerlei soorten knollen, allerlei soorten spruiten, alle soorten scheuten, alle soorten stengels, alle soorten takken en twijgen, allerlei soorten bladeren, bloemen, gebladerte en vruchten met verschillende smaken, en ondersteunt deze genererende en creërende functie tot het einde van de wereld. Het creatieve werk van het vuur-element is zo geweldig dat de wereld van de schone kunsten lofzangen zou moeten uitstorten over de beeldhouwers die figuren uitsnijden, en de kunstenaars die beelden schilderen van de exacte gelijkenis met de schilderachtige bladeren, vruchten en bloemen die door het vuur-element zijn ontstaan. Net zoals bewuste wezens onderworpen zijn aan de kosmische wet van de geboorte (jāti-niyāma), zijn geconditioneerde dingen onderworpen aan de kosmische wet van ontkieming (bīja-niyāma). Alle structurele lichamen van het universum zoals de zon, de maan, en hemellichamen zoals de sterrenbeelden en asteroïden, en alle schatten zoals goud, zilver, parels en robijnen en alle metalen en chemicaliën zoals ijzer, messing, koper en kwik zijn de producten van het vuur-element.

Hier eindigt de verhandeling over de opbouw van de wereld van geconditioneerde dingen (saṅkhāra-loka).

De Soorten Vuur-Element

Volgens de verklaring: udanti pasavanti etena okāsa satta saṅkhāra lokāti utu wordt dit vuur-element utu genoemd omdat het de oorzaak van het ontstaan en de uitbreiding van de drie werelden is, namelijk:

  1. Het fysieke universum
  2. De wereld van de bewuste wezens
  3. De wereld van de geconditioneerde dingen, en omdat het de bouwer en schepper is van de drie werelden van materiële verschijnselen.

Dit vuur-element is van tweeërlei aard, namelijk:

  1. Intern vuur-element (ajjhatta-tejo-dhātu)
  2. Extern vuur-element (bahiddhā-tejo-dhātu)

De eerste is onderverdeeld in:

  1. Door karma (wilsactie) geproduceerde materie (kammaja-rūpa)
  2. Door bewustzijn geproduceerde materie (cittaja-rūpa)
  3. Door temperatuur geproduceerde materie (utuja-rūpa)
  4. Door voedsel geproduceerde materie (āhāraja-rūpa).

Ten aanzien van kaste of klasse, grofheid of subtiliteit, is dit vuur-element van oneindig veel verschillende soorten, variërend van de lichaamsvorm van een burger van het laagste vagevuur (avīci) tot dat van de grote Brahmā in het hoogste (akaniṭṭhā) niveau van het bestaan. Het uiterlijke vuur-element is kortweg onderverdeeld in:

  1. Koud vuur-element (sīta-tejo-dhātu)
  2. Heet vuur-element (uņha-dhātu).

Door middel van calorische volgorde (utu-niyāma) bepaalt dit vuur-element de geordende opeenvolging van de drie seizoenen:

  1. Vuur-element voor het hete seizoen (gimha-tejo-dhātu)
  2. Vuur-element voor het regenseizoen (vassāna-tejo-dhātu)
  3. Vuur-element voor het koude seizoen (hemanta-tejo-dhātu).

Op dezelfde manier zijn wat men de ‘zes yatus’[v] noemt, in feite de zes vuur-elementen. Op dezelfde manier, wat bekend staat als de twaalf subseizoenen (rāsī) zijn in feite de twaalf vuur-elementen. Evenzo, die bekend staan als de honderdenacht ‘mystieke nummer negen’ vertegenwoordigen eigenlijk de honderdenacht soorten vuur-elementen. Dergelijke entiteiten die bekend staan als de ‘acht planeten’ of ‘negen planeten’ ­­­­­­­­­­─ waarvan de bovennatuurlijke wezens Zondag Planeet, Maandag Planeet etc. worden genoemd, worden verondersteld op symbolische dieren te rijden en die zulke kardinale punten als Noord-Oost, Oost, etc. bezetten ─ zijn ook variaties van het vuur-element. De vertakkingen van dit element zijn zo wijd verbreid zoals die ook te vinden zijn in de terminologie en de nomenclatuur die in dergelijke takken van de mondaine kunsten en wetenschappen als de Vedische geschriften (veda), farmacologie, metallurgische chemie, astrologie en de cultus van tekens en voortekenen.

Ten aanzien van klasse of kaste, en van grofheid of subtiliteit, bestaat het externe vuur-element uit oneindig veel verschillende soorten. De tien soorten thermische omstandigheden of temperatuur, als bedoeld in het derde punt van de matrix, is als volgt uitgewerkt. Wanneer de vier interne thermische omstandigheden of vuur-elementen, als hierboven bedoeld, worden vermenigvuldigd met de twee elementen van koude (sīta-tejo) en warmte (uņha-tejo), krijgen we een resulterend plaatje van acht interne vuur-elementen. Het externe vuur-element is slechts van tweeërlei aard, namelijk het koude externe vuur-element en het hete externe element. Wanneer de twee groepen worden toegevoegd vormen ze samen een totaal van tien soorten vuur-elementen.  

Brandend en Verdwijnend

Allerlei materiële fenomenen, zowel levend als levenloos, bestaan slechts uit groepen of verzamelingen van vuur-elementen. Dit element van warmte en koude is in een staat van voortdurende verbranding, of ontbranding, en als zodanig zijn de groepen en verzamelingen van materiële fenomenen voor altijd in straling wegbrandend in een kolkende chaos. Je moet met een duidelijk begrip en indringend inzicht deze fenomenen overpeinzen die zich voordoen in je hersencellen, ogen en andere delen van je lichaam tot aan je voetzolen. In het kader van een dergelijke verbranding in een kolkende chaos, is er een ononderbroken proces van opbouw van nieuwe materiaaleenheden in alle onderdelen van je lichaam. Deze opbouw wordt in kortstondige momenten gevolgd door een afbraakproces van verbrandenen verdwijnen. Dit ontstaan en ontbindingsproces in het lichaam verschijnt, voor degenen die het voelen, als een serie van minieme uitbarstingen of trillingen.

Ultieme Realiteiten

In het rijk van de ultieme realiteiten (paramattha-dhamma) is er geen fenomeen van beweging of schommelingen dat zichtbaar is voor het fysieke oog. Met de verschijnselen van het ontstaan van nieuwe entiteiten in een serie verweven met de verschijnselen van de ontbinding in een serie van oude entiteiten, moet in een waarnemer op basis van gezond verstand het idee van beweging van hetzelfde (identieke) ding ontstaan. Ze geven aanleiding tot begrippen als ‘groeien’, ‘opstaan’, ‘vallen’, ‘gaan’ en ‘komen’. Alleen een waarnemer die, met doordringend inzicht, deze verschijnselen analyseert en ontleedt, kan zulke valse begrippen verjagen. Wanneer dergelijke inzichtelijke kennis zich in het vroege stadium van de ontwikkeling bevindt, zal het bovengenoemde gezond verstand waarschijnlijk het realiseren van de waarheid belemmeren en interfereren die verborgen is achter verschijningen. Wanneer dergelijke waarnemingen interfereren met de praktijk van het verwerven van inzicht in de elementen van het lichaam in de ultieme zin, zal de penetratie in de ultieme realiteit waarschijnlijk vertraagd worden door de tussenkomst van beeldende ideeën of concepten van collectiviteit en vorm (samūha-saṇṭhāna-pañatti) en het concept van continuïteit (santati-pañatti).

Samūha-saṇṭhāna-pañatti is een term die vorm en massa impliceert. Wanneer contemplatieve kennis wordt verstoord door het concept van vorm en massa kan het niet doordringen tot de ultieme realiteit.

Het Concept van Continuïteit

Behalve Nibbāna is er geen ander verschijnsel in het rijk van de ultieme realiteit (paramattha-dhamma) dat zelfs gedurende een periode van een knipoog kan bestaan. Het zijn allemaal slechts processen van ontstaan en ontbinding. Wanneer twee verschillende verschijnselen ─ een van ontbinding en een andere van ontstaan ─ in een reeks van snelle opeenvolgingen worden gemengd, hebben het oude (voorgaande) verschijnsel dat is ontbonden en de nieuw ontstane (opvolgende) verschijnsel het uiterlijk van een en dezelfde verschijnsel. Deze illusoire verschijning in het bewustzijn (van gezond verstand) wordt het begrip continuïteit genoemd. (santati-pañatti). Wanneer dit concept interfereert met inzicht-kennis, wordt het bewustzijn misleid in het denken dat een en hetzelfde (identiek) ding is ‘op deze wijze gebeurd’, ‘op een andere manier is gebeurd,’ hier is aangekomen’, ‘daar is aangekomen’, ‘is verplaatst’, ‘is ontstaan’, ‘is verschenen,’ enz. Men zou dus moeten nadenken met doordringend inzicht en onderscheidingsvermogen over het verschil tussen het concept collectiviteit (samūha-pañatti), het concept van de vorm van de dingen (saṇṭhāna-paññatti) en het concept van de continuïteit van de dingen aan de ene kant, en de ultieme realiteit aan de andere kant. Dit zijn de woorden die de misleidingen beschrijven die worden beoefend door concepten met betrekking tot zulke verschijningsvormen als schudden, beven, bibberen, en trillen. In het gedeelte over het vuur-element hebben we tot op zekere hoogte, de krachten en mogelijkheden van dit vuur-element beschreven dat in verschillende teksten ‘temperatuur’ of ‘warmte’ (utu) genoemd wordt. Als dat wat daarin beschreven is in die sectie, in samenhang met wat hierboven kort is beschreven, volledig wordt begrepen, zal men in staat zijn om met doordringend inzicht de enorme en wonderbaarlijke almacht van dit vuur-element te realiseren, en zijn overheersing in alle drie de hierboven beschreven werelden, die slechts producten zijn van het vuur-element.

Hier eindigt de uiteenzetting van de betekenis van de uitdrukking “Dit lichaam is een product van tien soorten thermische omstandigheden of temperatuur,” gedaan in het derde punt van de matrix.

Vierde Item van de Matrix

De Tien Soorten Voeding

In het vierde punt komt deze passage voor: “Dit fysieke lichaam wordt voortdurend ondersteund door de tien soorten voeding (ayaṃ kāyo thambhito āhārehi).” Waar hierboven en in andere teksten als voedingsessentie (ojā) of voedingsstof (āhāra) aan wordt gerefereerd betekent de ultieme fysieke essentie, wat ook wel ‘essentie-element’ wordt genoemd. In twee interpretaties in de teksten wordt de voedingsessentie en voeding (āhāra) als volgt beschreven: “Het wordt voedingsessentie genoemd omdat het materiële verschijnselen produceert in het onmiddellijk volgende moment (udayānantaraṃ rūpaṃ janetīti opa).” Het wordt voeding genoemd (āhāra) omdat het de achtvoudige materiele verschijnselen ondersteunt en materiële verschijnselen produceert als achtste factor (d.w.z. vaste stof, vloeistof, warmte, beweging, kleur, geur, het eetbare en de voedingsessentie) (ojaṭṭhamakaṃ rūpaṃ āhāratīti āhāro).

De Twee Soorten Essentie

De essentie is van tweeërlei aard namelijk:

  1. Binnenste essentie-element
  2. Buitenste essentie-element.

Aangezien het vuur-element (tejo-dhātu) van tien soorten is, bestaande uit acht interne en twee externe, is het overeenkomstige essentiële element ook van tien soorten. De functies van dit kernelement zijn onder andere die het ontstaan van voedselproducerende materiaaleenheden veroorzaken (āhāraja-rūpa-kalāpa) en het ondersteunen van de vier oorzaken voor het ontstaan van de van de materiële verschijnselen van bewuste wezens van de zintuiglijke wereld (catu-rūpa-samuṭṭhānika). Met de uitdrukking “de functie die het ontstaan van door voedsel geproduceerde materiaaleenheden veroorzaken,” wordt bedoeld de productie van twee soorten stoffen, namelijk vet (medo) en huidvet (vasā). De materiële verschijnselen van bewuste wezens van de sensuele wereld kunnen niet overleven, zelfs niet gedurende de periode van een knipoog zonder materieel voedsel (āhāra). Om deze reden is de kwestie van het verdienen van de kost een probleem van de grootste omvang in de wereld. Als men de landwezens en waterbewoners overal ter wereld kan zien die onophoudelijk zwoegen en worstelen om hun kostje bij elkaar te scharrelen, dag en nacht, gedurende hun hele leven, zal men in staat zijn om de omvang van het probleem van het in je onderhoud voorzien verdienen te onderkennen. Als men de reikwijdte en omvang van het probleem van de kost verdienen kan zien, zal men het probleem van het verwerven van voedsel onder ogen kunnen zien. Als men het probleem van het verwerven van voedsel kan waarnemen, zal men in staat zijn om de omvang van de ondersteuningsfunctie te waarderen die door het essentiële element uitgevoerd wordt en het onvermogen van de interne materiele verschijnselen om te overleven, zelfs niet gedurende een periode van een knipoog zonder de steun van het externe essentiële element.

De Gelijkenis van de Regenboog

Het volgende voorbeeld kan ter illustratie worden gegeven. In dit fysieke lichaam zijn er vier samenstellende elementen, namelijk:

  1. De kwaliteit van de hardheid of de zachtheid die het aarde-element wordt genoemd (paṭhavī-dhātu)
  2. De kwaliteit van de cohesie of de liquiditeit, die het water-element genoemd wordt (āpo-dhātu)
  3. De kwaliteit van de warmte of de koude, die het vuur-element (tejo-dhātu) genoemd wordt.
  4. De kwaliteit van de sterke of zwakke ondersteuning, die het wind-element (vāyo-dhātu) genoemd wordt.

We vragen u zich te herinneren wat we eerder hebben gezegd, dat ze als het beeld zijn van een man die gereflecteerd wordt in een spiegel of die van de zon, maan, wolken of de hemel boven, weerspiegeld op het oppervlak van rustig water en om dit in je gedachten te houden. Er bestaat iets in de lucht dat onder verschillende namen bekend is, zoals ‘regenboog’, ‘kolossale wig,’ ‘de ploeghendel’ of ‘lendendoek van goden-en-koningen.’ Deze regenboog verschijnt net buiten de regenwolken in de westkant van de hemel als de stralen van de zon die van de oostelijke hemel komen, reflecteren op de vochtverzadigde atmosfeer. Als de zonnestralen afkomstig zijn van het westen en de regenwolken de oostelijke hemel bezetten, verschijnt de regenboog aan de buitenkant van regenwolken in het oosten. Aangezien de zon de factor van oorsprong is van een regenboog, betekent de verdwijning van de zon ook het verdwijnen van de regenboog. Aangezien het ook moet afhangen van de regenwolken voor het ontstaan ervan, betekent het verdwijnen van de regenwolken ook het verdwijnen van de regenboog. De zon levert een bijdragende factor door de vorm van de regenboog te laten ontstaan, terwijl de regenwolken een andere factor vormen door een dergelijke formatie te ondersteunen met een basis. In welk deel van de hemel de stralen van de zon afwezig zijn, in dat gedeelte verdwijnt de regenboog ook of toont zijn vorm gedeeltelijk uitgesneden. Als de zonnestralen helemaal verdwijnen, verdwijnt de regenboog ook volledig. In welk deel van de hemel de regenwolken afwezig zijn, in dat deel verdwijnt de regenboog ook of toont zijn vorm gedeeltelijk uitgesneden. Wanneer de regen de wolken dun zijn, verschijnt de regenboog met een flauw gezicht. Wanneer de regenwolken met hun ondersteunende basis verdwijnen, verdwijnt de regenboog ook onmiddellijk, zelfs als de zonnestralen aanwezig zijn op die plek.

In deze gelijkenis lijken de morele en immorele acties die worden gepleegd in vorige levens (kamma) op de zon aan de hemel, terwijl het door wilskracht-geproduceerde vuur-element (kammaja-tejo-dhātu) en zijn vennoten, het door het bewustzijn geproduceerde vuur-element (cittaja-tejo-dhātu), het door de temperatuur geproduceerde vuur-element (utuja-tejo-dhātu) en het voedselproducerend vuur-element (āhāraja-tejo-dhātu) op de stralen van de zon lijken. Het essentiële element, dat in alle delen van het lichaam zit, lijkt op de massa van de regenwolk. De vier grote primaire elementen (mahā-bhūta) van het lichaam lijken op de grote vorm van de regenboog. Als men zegt dat het kernelement lijkt op de regenwolk, betekent dit overeenkomst in de functie van het geven van ondersteuning. Wanneer het resultaat van kamma uit het verleden en door wilskracht-geproduceerde vuur-element hun uitwerking krijgen, worden de vier grote primaire elementen (mahā-bhūta) van het lichaam ook vernietigd en gaan verloren hoewel het essentiële element blijft bestaan. Zelfs wanneer het resultaat van het kamma uit het verleden nog steeds aanhoudt, als de externe essentie element geheel is uitgewerkt door gebrek aan voedsel, zal het interne essentie element verstoken zijn van kracht en zal de massa van de vier grote primaire elementen (mahā-bhūta) zeker vergaan. Laat het voorbeeld van de hierboven genoemde regenboog volledig worden toegepast op dit geval en worden bestudeerd in combinatie voor een beter begrip.

In het item over de vier grote primaire elementen hebben we het voorbeeld gegeven van de beelden die worden gereflecteerd in een spiegel of op het oppervlak van rustig water. In die gelijkenis, lijken de morele en immorele acties die in vorige levens (kamma) zijn uitgevoerd en de groep van vuur-elementen (tejo-dhātu) op het gezicht van de man, zon, maan en wolken. De kernelementgroep lijkt op de spiegel en het oppervlak van het water. De vier grote primaire elementen van het lichaam lijken op het beeld van het gezicht van de man, en de beelden van de zon, maan, en de grote wolkenbank. In dit voorbeeld ook heeft de gelijkenis alleen betrekking op de functie van ondersteuning of versteviging. Met deze voorbeelden hebben we laten zien hoe ons lichaam, dat bestaat uit de vier grote primaire elementen en de zes zintuigbasissen, blijft bestaan met de steun en versteviging van het externe essentie-element, en hoe, zonder dergelijke steun en versteviging, het gedoemd is om te vergaan.

Het Olie-Essentie-Element

We stellen nu voor om de manier waarop ondersteuning of versteviging werkt te behandelen. In deze wereld is het een duidelijk feit dat olie en vuur complementair zijn aan elkaar. Alle soorten olie worden alleen ontwikkeld in samenwerking met vuur, en vuur wordt alleen ontwikkeld en gemaakt om te overleven in combinatie met olie. Alle soorten olie, waaronder ruwe olie en lampenolie, die ‘aardolie’ worden genoemd, en sesamolie, lijnolie, arachideolie, en olie die door dieren zoals boter of ghee wordt geproduceerd, heeft de neiging om vuur te produceren dat gedijt op zulke oliën. Dit zijn verklaringen van voor de hand liggende feiten met betrekking tot oliën die duidelijk zijn. De materiële essentie, genaamd ‘voedings-essentie’ is inherent aan allerlei materiële eenheden. Zelfs diverse objecten zijn voorzien van een olie-essentie-element. In het geval van het verbranden van een lendendoek, hooi, gedroogde bladeren, brandhout of hout, het is in feite het olie-essentie-element dat het voedsel is wat daadwerkelijk in vlammen op gaat. Naarmate de brand zich ontwikkelt in verhouding tot het volume van de beschikbare olie-essentie, brandt het op en verbruikt alle materiële fenomenen waarmee het olie-essentie-element tegelijk bestaat. Dit feit moet zorgvuldig worden geobserveerd totdat het volledig is gerealiseerd.

De Aarde-Olie Gelijkenis

In middeleeuws Birma werden dramatische shows niet op een podium gespeeld, maar op de grond in een open ruimte rondom een Rozenappel (Eugenia) boom. Voor nachtelijke optredens werd de plek verlicht met een brandende fakkel op een paal of pilaar, geplant in het midden van de open ruimte. De fakkel, in het midden, was een enorme pot voorzien van een lont. Er werd aardolie in die pot gedaan en de lont werd ontstoken. Het leven van de aldus geproduceerde vlam hing af van de aardolie die in die pot werd gedaan. Als het volume van de op die manier toegevoegde aardolie groot was, nam de sterkte van de vlam enorm toe. Als de hoeveelheid aardolie die in de pot werd gedaan klein was, werd de kracht van de vlam zwak. Toen die brandstofolie opgebrand was, verdween de vlam. In deze gelijkenis vertonen de drie grote primaire elementen, namelijk het aarde-element, het water-element, en het wind-element, samen met de zes zintuiglijke basiselementen, overeenkomst met de brandende fakkel op de pilaar. Het interne olie-essentie-element, waarmee het lichaam in alle delen is doordrenkt, representeert de aardolie die al in de (oliecontainer van de) brandende fakkelzuil aanwezig zijn. Het vuur-element in alle delen van het lichaam lijkt op de vlammen die zowel binnen als buiten de brandende fakkelzuil brandt. Het externe olie-essentie-element (voedings-essentie) in het voedsel dat dagelijks wordt geconsumeerd door bewuste wezens, representeert de aardolie die met tussenpozen en continu in de brandende toorts moet worden gevoerd. In de voorgaande paragraaf hebben we het voorbeeld gegeven van een regenboog in de hemel om de nadruk te leggen op de omvang van de taak van het leveren van het olie-essentie-element. In deze paragraaf hebben we het voorbeeld van een brandende fakkelzuil gegeven ter illustratie van de functie van de olie-essentie in het opwekken van fysieke eenheden en het in stand houden van hen met benodigdheden en ondersteuning.

Om verder op te helderen: het voedsel dat wordt ingeslikt in de maag bestaat uit slechts acht eenheden, met een voedingswaarde-essentie als achtste factor. Dus, elke eenheid bevat het olie-essentie-element dat de vier grote elementen ondersteunt. Het moet dus gezegd worden, figuurlijk, dat als het eetbare voedsel een kubieke meter groot is, de daarin aanwezige voedingsessentie ook een kubieke meter groot is. Net zoals sterke pijlers en palen een oud huis stutten en ondersteunen dat is gebouwd op palen die wegrotten in de grond, geeft de voedingsessentie, in het nieuw ingeslikte voedsel, kracht en vitaliteit aan de inwendige materiële eenheden van het hele lichaam zodra het voedsel de maag bereikt. Net zoals zwakke pijlers en zwakke steunpilaren ervoor zorgen dat een oud huis gaat schudden en zwaaien, en omdat de ineenstorting van dergelijke pijlers en steunpilaren tot de ineenstorting van het oude huis leidt, op dezelfde manier, vallen de zes uur oude materiaaleenheden, samen met hun interne bestanddeel van het essentie-element, geleidelijk uiteen en verdwijnen volledig. Het is omdat het nieuw geconsumeerde voedsel voor slechts zes of zeven uur vers blijft als energieleverancier, waarna het begint met ontbinden en desintegreren. Wanneer de levensduur van het laatste voedsel in de maag verstrijkt, worden alle energie leverende elementen in het lichaam opgelost, waardoor alleen de temperatuurgeproduceerde groep van grove elementen die ‘afvalproducten’ of ‘kadaver’ worden genoemd (mata-kalevara) overblijven.

De Verzwakking van de Lichamelijke Krachtt

Maaltijden worden één of twee keer per dag genomen voordat het voedsel dat in de maag daarvoor werd geconsumeerd, volledig uitgeput raakt. Mensen weten goed dat hun kracht verzwakt als de honger toeslaat. Ze zijn beschamend onwetend over het feit dat vanaf het moment dat de voedselvoorraad in de maag begint op te raken, de inwendige materiaal groepen, elementgroepen, eenheidsgroepen, vitaliteitsgroepen en energiegroepen geleidelijk aan uitgeput raken en verdwijnen. Net zoals de regenboog, in de bovengenoemde gelijkenis, oplost wanneer zijn steunbasis, de regenwolk, oplost, is er een geleidelijke slijtage en desintegratie van de grote massa in het hele lichaam, die de kwaliteit van hardheid (paṭhavī-dhātu) wordt genoemd, en de kwaliteit van cohesie genaamd het water-element, de kwaliteit van de warmte of de kou genaamd het vuur-element, de kwaliteit van de stijfheid of de spanning wat het wind-element genoemd wordt. In hetzelfde moment is er ook een geleidelijk wegsterven en het oplossen van het gevoelige oogorgaan (cakkhu-pasāda), het gevoelige oororgaan, het gevoelige neusorgaan, het gevoelige tongorgaan, het gevoelige lichaamsorgaan, de bewustzijnsbasis of bewustzijn (manāyatana) en de clusters van subtiele elementen en materiële eenheden in het hoofd, in de borst, in de buik, in de heupen, in de dijen, in de benen en in de zolen van de voeten. Ze zijn net als massaal uit elkaar spattende enorme schuimende waterbellen in een reeks van onophoudelijke beroering. Deze processen van ontbinding moeten zorgvuldig worden geobserveerd en overwogen tot ze levendig gezien worden met het oog van wijsheid. Net als de verzwakking van pijlers en steunpilaren het schommelen en het instorten van het vervallen huis dat op palen in de grond is gebouwd tot gevolg hebben, evenzo zullen de clusters van subtiele materiële eenheden en elementen in het lichaam op en neer gaan en ineenstorten als de energiebevoorrading binnenin de maag is uitgeput. Dit feit moet ook zorgvuldig worden geobserveerd en overwogen tot het volledig beseft is.

Als men zegt dat de lichamelijke kracht verzwakt is door de honger, betekent het de ineenstorting en het uiteenvallen van brokken materiaaleenheden en elementen die ‘energie’ worden genoemd, net als vallende sneeuwvlokken. Een persoon bedrukt door de honger valt op door de gedeprimeerde en uitgeputte blik van zijn gezicht en ogen. Door het zien van de depressieve blik aan de buitenkant, kan worden afgeleid dat de brokken van de interne materialiteit, elementen, en eenheden zo zwaar zijn ingestort en uiteengevallen dat de overige elementen sterk gereduceerd zijn in sterkte. De verandering in de geleidelijke stadia van de kwaliteit van de hardheid betekent dat de ontbinding van het aarde-element in geleidelijke fasen en in termen van ultieme realiteiten (paramattha-dhamma). In die zin betekent de verandering in geleidelijke stadia van de kwaliteit van de samenhang de geleidelijke ontbinding van het water-element. Hetzelfde geldt voor de ontbinding van de andere twee elementen (tejo en vāyo).

Hier eindigt de verhandeling over de uitputting en ontbinding van elementen.

Hoe het Olie-Essentie-Element aan de het Hele Lichaam wordt Geleverd

Wanneer de uitputting begint, moet nieuw voedsel worden ingeslikt voordat de oude voorraad voedsel volledig is uitgeput. Zodra het ingeslikte voedsel in de maag ligt, worden de vier grote primaire elementen onmiddellijk gerevitaliseerd, net als een overhellende structuur wordt geëgaliseerd en gestut met palen en pijlers, worden massa’s van kracht, energie en vitaliteit dan volledig hersteld. Het feit wordt duidelijk door het uiterlijk en verschijningen. Als de inwendige organen een indringende blik (met inzicht) wordt gegeven, kan men in staat zijn om ze onmiddellijk gevuld te zien worden met materiaaleenheden, net zoals zware regen holtes maakt, geulen, waterbeddingen, beekbeddingen, en de afvoerkanalen met water vult.

De hoofddarm (maag), die de ontvanger voor nieuw voedsel wordt genoemd, lijkt op een zeer losse en grove lendendoek, canvas of zakdoek. Onder deze houder bevindt zich een kooktoestel of een vuurkorf (pācaka). Het convergentiepunt van de pezen, wat in het algemeen bekend staat (in het Birmaans) als ‘takyee’, wordt de kokende vuurkorf genoemd. In deze vuurkorf bevindt zich het door kamma (wilsactie)-geproduceerde (kammaja)-vuur-element, genaamd ‘kookvuur’ (pācaka). Een ander door kamma-geproduceerd vuur-element, genaamd ‘de originele lichaamswarmte’ (usmā) dat het hele lichaam beschermt en vitaliseert, is ook een product van het ‘kookvuur’ element. Dit element voert de taak uit van het koken van het nieuw gegeten voedsel dat de maag bereikt. Het is gewoon zoals het koken van koemelk of geitenmelk bij de vervaardiging van boter of ghee. In dit kookproces blijken vier soorten producten aanwezig te zijn. Het zijn fijne en grove vaste stoffen en fijne en grove vloeistoffen. De ruwe vaste stoffen en vloeistoffen, die een tekort aan voedingsstoffen hebben (ojā), worden naar beneden getrokken, terwijl de voedselrijke essentie en de oliën naar boven komen. Deze manier van koken van nieuw gegeten voedsel, en het scheiden van het in fijne of grove kwaliteiten van vaste stoffen en vloeistoffen, wordt ‘het proces van koken door middel van maag(maagsap) vuur’ genoemd.

De ruwe vaste stoffen veranderen in ontlasting of uitwerpselen en worden in de houder voor ‘oud-voedsel’ (d.w.z. de darmen) geduwd. De grove vloeistoffen veranderen in urine en komen in de urineblaas terecht. Alle nutriëntenolie-essentie gekookt door het ‘kookvuur’-element en door het ‘lichaamswarmte’ element (usmā) koken over en verspreiden zich in het hele lichaam langs de duizend ‘smaakgeleidende zenuwen’(rasa-haraṇī). Tijdens het circulatieproces komt de voedingsolie-essentie in contact met het vuur-element dat zich in alle delen van het lichaam bevindt. Wanneer dit gebeurt, heeft het olie-element de neiging om in deze wereld de groei en ontwikkeling van de voedingswaarde-essentie te bevorderen, al dan niet verwarmd door vuur. En als het wordt geassocieerd met vuur-elementen ten behoeve van de lichaamswarmte, vermenigvuldigt het de groei van materiële eenheden (rūpa-kalāpa). Bovendien bevordert het de groei van vet en huidvet. Wanneer geassocieerd met de olie-essentie-element, heeft het vuur-element in het hele lichaam de neiging om op te vlammen en zich te ontwikkelen zoals gewone branden oplaaien wanneer ze gevoed worden met olie of vet. In de wereld van de handel of productie, wordt olie of extracten uit verschillende objecten gewonnen door het proces van verhitting met vuur. In dergelijke processen, als de sterkte van het vuur (hitte) zwak is, wordt er minder extracten en meer afval geproduceerd. Op dezelfde manier, als het maagvuur, dat digestief (kook)vuur wordt genoemd (pācaka-tejo) zwak is, zal al het voedsel dat wordt gegeten en in de maag wordt geslikt meer worden gereduceerd tot afvalproducten, zoals uitwerpselen, urine, wind en slijm, en minder in olie-essentie, die in wetenschappelijke voedingsboeken ‘smaakelement’ (rasa-dhātu) wordt genoemd.

Als daarentegen de hitte van het spijsverteringsvuur overmatig is, is al het voedsel dat wordt gegeten en ingeslikt in de maag over het algemeen verbrand, waardoor er slechts een kleine hoeveelheid van het olie-essentie-element als residu overblijft. Als het vuur-element is verstrikt of bedekt met wind en slijm, zal de gesmoorde warmte zo zwak en onevenwichtig zijn dat het voedsel niet goed wordt verteerd. Wanneer voeding op die manier wordt aangetast, zal de kracht van de weerstand worden verzwakt en het fysieke lichaam zal vatbaar zijn voor alle vormen van ziekten. Gewoon voedsel is op zichzelf niet volledig begiftigd met voedingsstoffen (ojā) en, zoals reeds beschreven in het gedeelte met betrekking tot het tweede kenmerk van een persoon die de hoogste inspanning levert (padhāniyaṅga), kunnen mensen van de huidige tijd gemakkelijk ziek worden en ook gemakkelijk sterven. Dit is te wijten aan de turbulente en onevenwichtige toestand van de twee branden die bekend staan als het spijsverteringsvuur en het lichaamswarmtevuur. We hebben ook beschreven dat het voor sommige mensen mogelijk was om zich te verzekeren van immuniteit voor het gevaar van ziekten en hun levensduur tot na de normale levensduur van een eeuw, tot tweehonderd, driehonderd, vierhonderd, vijfhonderd, nee, duizend jaar te verlengen. Het werd bereikt door het drinken van de tonicums of elixers die werden voorbereid door het omvormen van een essentieel element, dat metalen zoals ijzer of kwik bevat, in andere vormen. Omdat dergelijke tonicums of elixers zich goed mengen en compatibel zijn met de delicate interne elementen, worden die tweeledige-vuren volgzaam gemaakt. Dus worden er prachtige resultaten bereikt zoals hierboven beschreven.

Hier eindigt de interpretatie van de uitdrukking: “Dit fysieke lichaam wordt voortdurend ondersteund door de tien soorten voeding” vervat in het vierde punt (mātikā).

Vijfde Item van de Matrix

Het Proces van Primaire Oorsprong

We zullen nu de betekenis van de uitdrukking uitleggen: “Dit lichaam heeft het kenmerk van oorsprong in een ononderbroken proces (ayaṃ kāyo jātidhammo).” Eerder hebben we het voorbeeld gegeven van beelden die worden gereflecteerd in een spiegel en het voorbeeld van een regenboog in de lucht. We hebben ook de functie van het verteringsvuur-element in het proces van de bereiding van het olie-essentie element samen met de verschillende problemen die daarbij komen kijken beschreven. Als alle aldus beschreven feiten en gebeurtenissen zorgvuldig worden geobserveerd en bestudeerd, zal het duidelijk worden met betrekking tot het lichaam dat er geen onderbreking is, zelfs niet voor de tijdsduur van een knipoog of een bliksemflits, in het proces van het ontstaan van nieuwe verschijnselen, noch in het proces van ontbinding in opvolging van oude verschijnselen. Het zal ook duidelijk worden dat alleen al vanwege het vuur-element en het olie-essentie-element, er een continue drukte en wanorde is van ontstaan en ontbinding net als de ziedende onrust van kolkend water in een kokende ketel. De kwaliteit van de hardheid of het aarde-element (paṭhavī-dhātu) ontstaat in alle delen van het lichaam. Het is geconditioneerd door de vier factoren namelijk:

  1. heilzame of onheilzame handelingen uit het verleden (kamma)
  2. bewustzijn (citta)
  3. temperatuur (utu)
  4. voeding (āhāra)

Dit element heeft geen enkele substantie, zelfs niet tot op het niveau van een atoom, en is slechts een kwaliteit of kenmerk. Deze hardheid wordt, dus, in het moment vernietigd door de energie van het vuur-element, omdat het niet in leven kan blijven om te bestaan, zelfs niet voor de duur van een knipoog. Als het op die manier is vernietigd, maken de tegelijkertijd bestaande elementen van cohesie, warmte of koude, en stijfheid of spanning ook onderdeel uit van deze vernietiging. Ook de zes gevoelige organen die afhankelijk zijn van dat aarde-element moeten meedoen. Dit feit moet worden waargenomen in alle delen van het lichaam.

Alle plaatsen die door de opgeloste elementen worden vrijgemaakt, worden ook opgevuld door vervangingen van dezelfde soort. Op deze manier is er een ononderbroken verandering van ontstaan en vergaan met een frequentie van meer dan honderd of duizend keer binnen de tijdsduur van een knipoog of een bliksemflits. Dit ontstaan en vergaan is niet zichtbaar voor het oog. Ze kunnen alleen worden gezien met het oog van wijsheid door conclusies te trekken uit de waarneembare verschijnselen. Alle manifestaties van schudden of trillen impliceren de ontbinding van het oude en de vervanging ervan door het ontstaan van nieuwe fenomenen. Voor het waarnemende oog heeft het echter het uiterlijk van een en hetzelfde (identieke) visuele object, schuddend of bewegend. Wanneer conventionele zintuiglijke waarneming wordt beschouwd als waarheid of werkelijkheid, wordt een doordringend inzicht in de ultieme realiteit (paramattha-dhamma) een onmogelijk voorstel. Je moet goed nadenken over dit punt en de grootst mogelijke zorgvuldigheid betrachten.

De Consumptieve Aard van hett Vuur-Element

We hebben een tijdje geleden gezegd dat zulke ultieme realiteiten als het aarde-element en het water-element, die worden geconditioneerd door de vier factoren (kamma, citta, utu en āhāra), op dit moment worden vernietigd door het tegelijkertijd bestaande vuur-element. We willen in dit verband uitleggen dat branden van nature de eigenschap hebben dat ze de objecten die de basis van hun ontstaan zijn, opbranden. In overeenstemming met deze aard, brandt het vuur-element van de ultieme werkelijkheid op in het niets en in een opeenvolging van momenten, net als de andere drie naast elkaar bestaande elementen genaamd ‘hardheid’, ‘cohesie’ en ‘spanning’, samen met de zes zintuigen. Het vuur dat voortkomt uit afvalmateriaal vreet alle afvalmaterie in een korte tijd op. De brand die afkomstig is van olie eet op dezelfde manier alle olie op. Het vuur dat afkomstig is van de olie uit de aarde vreet alle aardolie in een kort moment op. De brand die ontstaat in een bepaalde soort vet of smeer eet al dit soort vet of smeer in een korte tijd op.

Ook het vuur-element dat altijd in alle delen van elke lichaam van gevoelige wezens brandt eet alle co-existerende elementen in een opeenvolging van momenten op. In het bijzonder worden alle olie-elementen in een kort moment volledig opgegeten.

Zo zijn er allerlei elementen, zoals het aarde-element of water-element die tot de ultieme werkelijkheid behoren, die niet kunnen bestaan of in leven blijven, zelfs niet gedurende een knipoog of een bliksemflits. Ze verdwijnen allemaal volledig in het hele lichaam met een frequentie van meer dan honderd of duizend keer per knipoog. Ondanks de snelheid van zo’n vluchtig proces, zijn er zo’n groot aantal conditioneringsfactoren en alle elementen die zijn verdwenen worden zo volledig vervangen en vernieuwd dat personen van jonge leeftijd in staat zijn om op te groeien en zich (in kracht) van moment tot moment te ontwikkelen. Je zou over het ontbindingsproces dat continu aan de gang is in het hele eigen lichaam moeten nadenken totdat het volledig wordt begrepen. Als men het proces van ontbinding in kortere stadia van minutieuze details kan begrijpen, zal men in staat zijn om het proces van vervangingen en vernieuwingen te begrijpen die overal in het eigen lichaam plaatsvinden en die plaatsvinden in gebeurtenissen van het ontstaan in vergelijkbare korte stadia van minutieuze details. Een vuur dat ontstaat in een vat kerosineolie zal stevig blijven branden totdat de hele hoeveelheid opgebrand is. Maar als iemand de verminderde olie bijvult, zal noch de hoeveelheid kerosineolie, noch het licht van het vuur lijken te zijn afgenomen. In tegenstelling tot een dergelijke verschijning, blijft het een feit dat zowel kerosineolie als het vuur-element in kortstondige fasen aan het vergaan zijn.

De Moeilijkheid om het Lichaam-Bewustzijn-Proces in Stand te Houden

Als er geen ontbindingsproces zou zijn, zou er geen noodzaak zijn voor het aanvullen van nieuwe olie. Als er vijftig vaten kerosine olie werden gebruikt in het herhaaldelijk aanvullen gedurende de hele nacht, is het duidelijk dat vijftig vaten kerosineolie werden verbruikt door het vuur. Door aandachtig te kijken en dit zorgvuldig te bestuderen, zal men zien dat zowel de kerosineolie als het bijbehorende vuur van moment tot moment aan het oplossen zijn. De geleidelijke afname van de hoeveelheid kerosine, olie en vuur kan ook worden waargenomen. Mensen weten ook dat er een grote hoeveelheid kerosineolie wordt verbruikt voor de verlichting voor een nacht. Je zou moeten uitrekenen hoeveel uur je lichaam in volle vaart en kracht kan blijven na het nuttigen van een maaltijd. Je zou moeten opmerken dat naarmate minder voedsel wordt genuttigd, iemands lichaam ook in kracht en sterkte afneemt. Je zou daaruit dan ook moeten concluderen dat het lichaam niet meer zou bestaan als de maag leeg is. Omdat de ontbindingssnelheid van de onderdelen van dit lichaam enorm is, is de snelheid van de frequentie van vervangingen en aanvullingen ook enorm. En omdat het tempo van de handhaving van de continuïteit van dit afbraak- en opbouwproces zo geweldig is, is het in je onderhoud voorzien in deze wereld een taak van het grootste belang, erg moeilijk, onontkoombaar en een absolute noodzaak.

Als men zich de enorme hoeveelheid voedselgewassen kan voorstellen, zoals rijst, bonen, maïs, gierst en alle soorten granen, peulvruchten, groenten en noten, die elk jaar worden geteeld en geoogst op het gehele eilandcontinent van rozenappelbomen (jambudīpa), en de jaarlijkse, maandelijkse of de dagelijkse consumptie van deze voedingsmiddelen, dan zou men de omvang van de vernieuwingstaak en de voortdurende zorg van de onderhoud en voortzetting van deze vijf aggregaten op prijs stellen. Als de mate van de omvang en de moeilijkheidsgraad van de nooit aflatende taak van vernieuwing en het onderhoud van deze vijf aggregaten, d.w.z. het verdienen van de kost, gerealiseerd wordt, zal de enorme snelheid waarmee de mentale en fysieke fenomenen na elkaar oplossen en verdwijnen ook worden gewaardeerd. Als men vanuit de bron het levendige tafereel van alle bewuste wezens kan onderzoeken, inclusief waterbewoners en landwezens, die elkaar overtreffen in het halen, het dragen, transporteren, komen, gaan, discussiëren, onderhandelen, plannen, bezig zijn met rusteloze zorg, onophoudelijk te streven, zorgen te blijven maken en angst te voelen, kijken, neigen, redetwisten en ruzie maken, omwille van een bestaan, van voedsel en van economische benodigdheden, zal men zich realiseren dat het allemaal te wijten is aan de moeilijkheid om de continuïteit te verzekeren door het overbruggen van het onmiddellijk voorafgaande lichaam en leven met het onmiddellijk opvolgend lichaam en leven.

Als de moeilijkheid om de continuïteit te verzekeren door vernieuwing en vervanging wordt overwogen, zal de enorme snelheid waarmee de oude fenomenen aan het oplossen zijn en verdwijnen, en het feit dat ze verstoken van een kern of essentie, worden gerealiseerd. Door al deze uitingen willen we het punt laten beklijven dat oneindige zorgen en angsten in deze wereld alleen al ontstaan vanwege de enorme snelheid waarmee de onderdelen, groot of klein, van het bewustzijn-lichaam complex ontstaan en verdwijnen in een ononderbroken proces. Dit zijn de punten die wijzen naar primaire oorsprong (pakati-jāti).

Vanwege de gehechtheid aan deze vijf aggregaten (khandha), ontstaat het verlangen om een langer leven te leiden, zeg maar honderd of duizend jaar. Om dit doel te bereiken wordt continuïteit beraamd door het overbruggen van de opeenvolging van nieuwe, kortstondig verschijnende creaties door middel waarvan de kost kan worden verdiend, wat ‘onderhoud’ wordt genoemd. Op die manier wordt een ononderbroken proces van ontstaan of nieuwe creaties gehandhaafd. Als men het proces van de primaire herkomst duidelijk begrijpt, zal men ook duidelijk het proces begrijpen van veranderende oorsprong (vikati-jāti).

Het Principe van Veranderde Oorsprong

‘Veranderende oorsprong’ (vikati-jāti) betekent het ontstaan van verschillende zweren, het ontstaan van verschillende ziekten, het ontstaan van verschillende gevaren, het ontstaan van verschillende vijandschappen, het ontstaan van verschillende straffen en het ontstaan van verschillende ongevallen. Omdat er een steeds terugkerend proces van ontstaan is, dat de link legt met en aansluit bij het oude met het nieuwe zonder pauze of onderbreking van de continuïteit of de stroom, kan de overgang van aangenaamheid naar onaangenaamheid plaatsvinden in een vluchtig moment. Ook omdat het proces van ontbinding in een enorme frequentiesnelheid plaats vindt, kan de overgang van plezier naar onaangenaamheid, of van geluk aan ellende, plaats vinden in een vluchtig moment. Er bestaat geen vluchtig moment waarbinnen het ontstaan van onaangenaamheid of ellende niet kan plaatsvinden.

De Gelijkenissen van het Slangengif en de Buskruitraket

De Pali-term jāti betekent ‘verschijning’, ‘oorsprong’ of ‘ontstaan’. In de uitdrukking, ‘oogpijn ontstaat,’ en ‘oorpijn ontstaat,’ geeft het woord ‘ontstaat’ oorsprong of genese weer. Zowel intern als extern, zijn de factoren voor het ontstaan van onaangenaamheid en ellende oneindig talrijk. Vandaar dat de Gezegende de kwaliteit van de hardheid of het aarde-element, dat de belangrijkste basis van deze vijf aggregaten (khandha) is, vergeleek met een slang van de kaṭṭhamukha soort. Als een persoon door zo’n slang aan het uiteinde van zijn teen gebeten wordt, verspreidt het slangengif zich snel tot aan zijn hoofd en valt hij flauw. Het hele lichaam verandert zowel in kleur en samenstelling. De originele materiaaleenheden van het gehele lichaam verdwijnen en een nieuwe materialiteitsgroep die lijkt op een lichaam geëlektrocuteerd door een blikseminslag, wordt onmiddellijk tot stand gebracht. Niets, zelfs niet op het niveau van een atoom, van het originele lichaam blijft, en het hele lichaam is volledig gevuld met nieuwe materiële eenheden die lijken op de onderdelen van een lichaam, geëlektrocuteerd door een bliksemflits.

Stel dat er bijvoorbeeld een raket is, volledig geladen met vijftig vaten zeer explosief buskruit. Als een vonkje vuur toegang zou krijgen tot de buskruitkamer van die raket via het gat van een lont, zou het hele gewicht van vijftig vaten buskruit in één keer vlam vatten.

Je zou misschien willen weten hoe het hele lichaam van de persoon met de slangenbeet in de bovenstaande gelijkenis wordt getransformeerd in een nieuw lichaam en hoe het oorspronkelijke lichaam verdween. Het wordt op deze manier uitgelegd. Omdat iedereen het originele lichaam kent dat stevig op de voetzolen staat (voor de slangenbeet) is een materialiteitsgroep in perfecte harmonie en welzijn. Wanneer gebeten door de slang, verspreid het slangengif zich echter over het hele lichaam tot aan het hoofd aan toe. Dit veroorzaakt ellende en disharmonie door gevoelens en sensaties van ontsteking, acute pijn, beklemming, kramp, priksensaties of zich platgeslagen voelen, traagheid, stijfheid, en hoogoplopende spanningen, die allemaal oorspronkelijk afwezig waren, maar die zich nu pas manifesteren, wat aanleiding geeft tot disharmonie en onaangenaamheid. Als ernaar gevraagd wordt, zullen ze zeker antwoorden dat er op dat moment een transformatie plaatsvond. Bij het geven van een dergelijk antwoord zullen ze pathetisch onwetend zijn van de waarheid in de zin dat er in feite een nieuw ontstaan lichaam is wat volledig is samengesteld uit nieuwe materiaaleenheden en elementen.

Wat algemeen wordt verondersteld hetzelfde of identieke lichaam te zijn, dat dergelijke wisselvalligheden ondergaat en wordt geteisterd door een dergelijke ziekte of kwaal, is inderdaad een opeenvolging van nieuwe herkomst, nieuw materiaal, nieuwe elementen, nieuwe eenheden, en nieuwe ultieme realiteiten. Wanneer men zich warm voelt in een bepaald deel, of in het hele lichaam, moet men weten dat het een nieuwe oorsprong is die op dit moment heeft plaatsgevonden. Wanneer een nieuw lichaam ontstaat, is het oude lichaam gedoemd te verdwijnen. Wanneer men met onderscheidingsvermogen voelt dat zijn lichaam nu heet wordt, begrijpt men dat de oude materiaalgroep, elementengroep en materiaaleenheidsgroep zijn verdwenen. De verandering is zo kortstondig dat het onmogelijk is om het op te merken.

Wanneer men zulke onaangename gevoelens als koude, pijn, verdoofdheid, zeurende pijn, stress, stijfheid, gespannenheid, vernauwing, kramp, jeuk, spanning of warmte ervaart, moet men er rekening mee houden dat in het deel van het lichaam waar zulke gevoelens ontstaan de oude materialiteit is verdwenen en een nieuwe oorsprong met nieuwe materialiteit is vervangen. Tijdens aanvallen van koorts gekenmerkt door bibberende koude, het opstijgen of het wegzakken van de kou of de warmte, al naar gelang het geval, zijn duidelijke aanwijzingen voor vervanging of vervanging van de oude materialiteit door een volledige nieuwe. Er zijn oneindig veel verschillende soorten van onaangename ervaringen die door dit lichaam worden gedragen, zoals een plotseling optredende ziekte als gevolg van het nemen van voedsel waar men allergisch voor is, of het baden op het verkeerde moment of doorweekt zijn van de regen. Dit zijn de woorden waarmee de verschillende soorten van veranderende oorsprong (vikati-jāti) worden beschreven.

Angst en Zorgen als Gevolg van Vernadering

Vanwege het evidente bestaan van dit principe van veranderen oorsprong, zijn de mensen in constante angst, vrees en schrik. Ze worden gekweld door zorgen en angsten over allerlei mogelijke gevaren, vijandschappen, straffen en ongelukken, zowel in als buiten het lichaam. Ze moeten terughoudendheid betrachten in hun verblijven, gaan, komen, doen en zich gedragen zoals ze willen. Ze moeten een beperkt en begrensd leven leiden door te leven in georganiseerde gemeenschappen van dorpen of steden en in huizen met verbindingen en beschermingswallen, om dergelijke gevaren te voorkomen. Als zulke beperkte en moeilijke manieren van leven worden geobserveerd, zou men in staat zijn om het principe van de veranderende oorsprong als reden te zien voor een dergelijke afgeschermde manieren van leven.

Hier eindigt de verhandeling over de enorme frequentiesnelheid waarmee de kwaliteit van hardheid, of het aarde-element, dat de fundamentele basis is van het geheel en die door de Boeddha wordt vergeleken met een slang van de kaṭṭhamukhasoort, procesmatig ontstaat en verdwijnt. Als hulpmiddel bij die verhandeling zijn de voorbeelden van een persoon die door een slang wordt gebeten en een raket volgestopt met buskruit gegeven.

De Gelijkenis van de Klomp Was

Laten we het geval nemen van een zeer harde klomp zegellak of kaarsvet ter grootte van een man, dat door vuur wordt verhit, waarvan de straling zowel de buitenkant als de binnenkant van de klomp bereikt. Je moet opletten en er nota van nemen dat wanneer beïnvloed door de hitte van het vuur, de kwaliteit van de hardheid uiteen valt door geleidelijke stappen en dat de kwaliteit van de zachtheid geleidelijk aan in stadia toeneemt. Wanneer het vuur wordt teruggetrokken en uit de buurt van de was wordt gehouden, moet je ook voorzichtig zijn met het feit dat de kwaliteit van de zachtheid desintegreert in geleidelijke fasen en dat de kwaliteit van de hardheid geleidelijk toeneemt. In de verhandelingen van de Sutta Piṭaka, en in de Hogere Leer (Abhidhamma Piṭaka), wordt de uitdrukking ‘desintegratie door geleidelijke fasen’ in verschillende termen weergegeven zoals ‘uitdoven’ (nirodha), ‘wegvallen’ (bhaṅga), ‘ontbinding’ (khaya), ‘vervagen’ (vaya), ‘verdwijning’ (attha), ‘dood’ (maraṇa), en ‘vergankelijkheid’ (anicca).  

De Hogere Kennis van de Waarheid van Vergankelijkheid

Inzicht-leerlingen (vipassanā-yogī) zijn gebonden aan het overpeinzen van dergelijke fenomenen tot een objectieve kennis van ‘vergankelijkheid’ is bereikt. Dergelijke kennis heet, ‘de hogere kennis van de waarheid van vergankelijkheid’ (anicca-vijjā-ñāṇa). Als het ontstaan van het aarde-element, dat met een slang van de kaṭṭhamukha-soort wordt vergeleken, volledig wordt begrepen, zal de desintegratie en de steeds opnieuw in een continu proces van de andere, naast elkaar bestaande primaire elementen, namelijk:

  1. het water-element, dat wordt vergeleken met een slang van de pūtimukha-soort
  2. het vuur-element, dat wordt vergeleken met een slang van aggimukha-soort
  3. het wind-element, dat wordt vergeleken met een slang van sattamukha-soort, ook worden begrepen.

De toename of het uiteenvallen, door de geleidelijke fasen van de kwaliteit van de samenhang in het water-element is inderdaad een geleidelijk uitdoven, voorbijgaan, ontbinding, verdwijnen, vervagen, dood en vergankelijkheid.

De toename of het uiteenvallen door middel van geleidelijke stadia van de kwaliteit van de warmte in het vuur-element is inderdaad een geleidelijke uitdoving, wegsterven, ontbinding, vervagen, verdwijning, dood en vergankelijkheid.

De toename of het uiteenvallen door middel van geleidelijke stadia van de kwaliteit van spanning of stijfheid in het wind-element is inderdaad een geleidelijk uitdoven, voorbijgaan, ontbinding, verdwijnen, verdwijnen, dood en vergankelijkheid.

Alleen dit soort begrip van ‘vergankelijkheid’ komt in aanmerking voor echte inzicht-kennis (vipassanā-ñāṇa). De loutere intellectuele kennis of beschouwing van het idee van (antropomorfe) dood van individuen in de loop van de tijd als een noodzakelijk gevolg van het levensproces is zeker geen inzicht-kennis. Wereldlingen van alle klassen, kasten en rassen kennen deze (antropomorfe) soort dood. Dezelfde opmerkingen gelden evenzeer voor het idee van ouderdom en desintegratie.

Als het teken van vergankelijkheid (aniccā-lakkhaṇa) in het proces van verschijnen en wegsterven van de vier grote primaire elementen met inzicht wordt waargenomen, hoeft er geen speciale inspanning te worden geleverd om de zes zintuigbasissen te begrijpen samen met het vuur-element en het voedingsstof (olie) element. Een dergelijk begrip zal zeker automatisch worden bereikt.

Hier eindigt de interpretatie van de uitdrukking: Dit lichaam heeft het kenmerk van oorsprong in een ononderbroken proces, in het vijfde punt van de matrix.

Zesde Item van de Matrix

Het Proces van Kortstondig Verval

We zullen nu de betekenis van de uitdrukking uitleggen: “Dit lichaam heeft de kenmerken van kortstondig verval in een proces (ayaṃ kāyo jarādhammo)” in het zesde punt van de matrix.

Als men alles begrepen heeft wat we gezegd hebben met betrekking tot ontstaan (jāti), en in het bijzonder aan het gezegde dat er geen verschijnsel bestaat, zelfs geen atoom, dat kan voortbestaan gedurende de tijdsduur van een knipoog of een bliksemflits, zal men het idee van vergaan ook kunnen begrijpen. In deze wereld bestaat er geen geval van ontbinding dat niet wordt voorafgegaan door verval en desintegratie. Alle objecten die de neiging hebben om te ontbinden moeten van een staat van vrolijke helderheid en nieuwheid naar een staat van achteruitgang en vergaan.

(Het is een kwestie van intelligente observatie dat in de sfeer van ultieme realiteiten, ontbindingen altijd voorafgegaan worden door achteruitgang en vergaan, versleten, verrot of verrot raken. Dit feit moet heel duidelijk.)

Hier eindigt de verhandeling over het fenomeen van het verval.

Zevende Item van de Matrix

Het Proces van Kortstondige Dood

Wij stellen voor om vervolgens de betekenis van de uitdrukking uit te leggen: “Dit fysieke lichaam heeft de eigenschap om van moment tot moment te sterven in een proces (ayaṃ kāyo maraṇadhammo).” In voorgaande hoofdstukken hebben we de volgende termen genoemd: uitdoven (nirodha), ontbinding (bhaṅga), wegsterven (khaya), vervagen (vaya), verdwijning (attha), dood (maraṇa), en vergankelijkheid (anicca). Ze hebben allemaal dezelfde connotatie als de term ‘dood’, in voor zover het de ultieme realiteit (paramattha-dhamma) betreft. De term ‘dood’ betekent ontbindingen en verdwijningen in kortstondige stadia vanwege de ramp van het verteerd worden door de branden van de primaire elementen en van het verval. Want, zoals we al eerder hebben gezegd, de bestanddelen van het lichaam zijn zonder essentie of kern en zijn niet in staat om zelfs binnen de tijdsduur van een knipoog of een bliksemflits te overleven.

‘Dood’ (in deze context) betekent de ontbinding en het verdwijnen van het hele lichaam, compleet en volledig, in een desastreus proces wat zich meer dan honderd keer binnen de tijdsduur van een knipoog of een bliksemflits voordoet. Bijvoorbeeld, laten we ons voorstellen dat een zeer frisse en levendige lotus weggeplukt uit zijn waterhabitat in een vijver en op het land wordt geplaatst, hoog en droog. Deze lotus wordt bestormd door drie tegenslagen, namelijk:

  1. Waarneembaar verval (sanṭati-jarā),
  2. Verval van moment tot moment (khaṇika-jarā)
  3. Dood van moment tot moment (khaṇika-maraṇa)

Het verwelkt en vergaat dus. In dit geval ontstaat het opvallend ‘waarneembaar verval’ als gevolg van de volgende bijdragende factoren:

  1. Verloren gaan van de ondersteuning van water dat het levensprincipe ervan is,
  2. Onderworpen worden aan de intrede van het element van de opgewekte warmte door de stralen van de zon,
  3. Door de verschroeide aarde
  4. Door het verwarmde water.

‘Waarneembaar verval’ betekent de afname, devaluatie, krimp en verwelking die voor het oog duidelijk is. Het feit is duidelijk alleen al door het zicht. De uiteindelijke ontbinding op het einde is ook waarneembaar voor het oog. Wanneer waarneembaar verval wordt gezien met het oog, zullen ‘verval’ van moment tot moment en ‘dood’ van moment tot moment duidelijk waarneembaar worden voor het oog van de wijsheid. Natuurlijk, zijn deze twee laatste verschijnselen onzichtbaar voor het fysieke oog.

De mogelijkheid dat ze gezien worden met het oog van de wijsheid, kan aldus worden uitgelegd: Wanneer de lotus van de bovengenoemde gelijkenis uit het water is getrokken, stort de kwaliteit van de met energie verpakte hardheid van het aarde-element onmiddellijk ineen in de sfeer van zwakte in kortstondige stadia. Kracht en energie gaan in kortstondige stadia achteruit, terwijl een zwakheidsdeficiëntie ontstaat in overeenkomstige kortstondige stadia in de vorm van veranderde oorsprong (vikati-jāti). Het energievolle water-element, de koude en het verfrissende vuur-element, en het verfrissende wind-element desintegreren in kortstondige stadia. De elementen van kleur (vaṇṇa), geur (gandha), smaak (rasa), en voedingswaarde (ojā) desintegreren ook van moment tot moment. Als ze worden beschouwd met concentratie en wijsheid, lijken ze net als de ontelbare sneeuwvlokken die vallen en oplossen.

De Enorme Snelheid van het Proces van Ontstaan en Vergaan

De snelheid van de verandering in het proces van vergaan van de oude en hun vervanging door nieuwe materiaaleenheden van dezelfde soort in kortstondige stadia is zo snel dat het zelfs door het maken van vergelijkingen niet te beschrijven is met dergelijke veranderingssnelheden. Het is ook onmogelijk om te onderscheiden en te differentiëren tussen het voorgaande fenomeen en het opvolgende. Het is niet binnen het bereik van de wereldlingen (puthujjana) om deze fenomenen alleen met hun verstand te begrijpen. Ze zouden het ontstaans- en wegsterfproces moeten overwegen in langere kortstondige fasen of intervallen, bij welk tempo ze in staat zouden zijn om het te kunnen volgen. In alle gevallen waarin de enorme snelheid van het ontstaan en ontbinding de capaciteit van de waarnemer om bij te blijven te boven gaat, zal een differentiatie van onderscheid niet mogelijk zijn en de verschijnselen zullen een en hetzelfde (statische) ding lijken. Je wordt geadviseerd om het teken of kenmerk van de enorme snelheid en frequentie van verandering waarmee het proces van het ontstaan en de ontbinding in je lichaam zich afspeelt te beschouwen, in zoverre je perceptie in staat is om het bij te houden.

(Als er geen sprake is van een proces van ontbinding en ontstaan in kortstondige stadia, kan er ook geen sprake zijn van een ontbindings-of uitdrogingsproces in toenemende progressieve kortstondige fasen. Dus, laat je kennis van inzicht acuut, subtiel, en verfijnd zijn.)

Het Ontelbare Keren Zien van Ontelbare Veranderingen

Zoals te zien is in het voorbeeld van de lotusbloem zijn er ontelbare soorten veranderingen die in dit lichaam plaatsvinden. Men ervaart zulke veranderingen ontelbare keren. Men ziet ze ontelbare keren. Men begrijpt ze ontelbare keren met kennis en wijsheid. ‘Ontelbare keren zelf ervaren’ betekent de gevoelens die verband houden met uitroepen zoals: “Oh! Iets speelt zich nu af in mijn hoofd. Mijn oog, mijn gezicht, mijn neus, mijn oor, de hoek in de mond onder mijn wang, mijn lip, mijn mond, mijn tong, de binnenkant van mijn borstkas, of de binnenkant van mijn buik, worden allemaal getroffen met deze of die pijn of kwaal.” Als men de fenomenen van het ontstaan, het verval en de dood met inzicht kan overdenken, zal wijsheid binnen handbereik komen.

Kennis kan echter nauwelijks gelijke tred houden met de snelheid in het proces van kortstondige ontbindingen in primaire oorsprongen (pakati-jāti). Het punt dat we maken is dat er geen fractie is van een moment waarin een radicale verandering in het hele lichaam niet plaatsvindt door interne of externe oorzaken wanneer er zich gunstige voorwaarden voor een dergelijke verandering voordoen. De externe gevaren kunnen ontstaan door vlooien, insecten, muggen, gemene vliegen, slangen, schorpioenen, of van de knuppel, het zwaard, of van calamiteiten zoals verwoestende branden of overstromingen. Er is geen fractie van een moment waarin een radicale verandering in het hele lichaam niet mogelijk is, veroorzaakt door vernieling of verval. Er is geen fractie van een moment waarop een onaangename oorsprong (aniṭha-jāti) niet kan plaatsvinden. Er is geen fractie van een moment waarin de vernietiging of de ondergang kan niet plaatsvinden. Dit bewustzijn-lichaam complex of de vijf aggregaten (khandha) is voor altijd begiftigd met de kenmerken van kortstondige oorsprong, verval en dood. Dergelijke duidelijk waarneembare veranderingen, vernietigingen en transformaties kunnen op het moment dat het gevaar zich voordoet met een kracht die overeenkomt met zo’n begin plaats vinden. Vandaar de uitdrukking, “Dit lichaam heeft de kenmerken van oorsprong, vergaan en sterven,” in het zevende punt van de matrix.

Hier eindigt de verhandeling over het kenmerk van de dood (maraṇa) die inherent zijn aan dit bewustzijn-lichaam complex.

Achste Item van de Matrix

Het Gevaar van Vergankelijkheid

We hebben al vele malen uitgelegd dat de bestanddelen van dit lichaam niet kunnen voortbestaan, zelfs niet binnen de tijdsduur van een knipoog of een bliksemflits. Als, aan de andere kant, het kan voortbestaan voor een dergelijke periode zou het onveranderd moeten blijven, zelfs als het wordt getroffen door bliksem of een donderslag tijdens zo’n periode. Het feit dat het onveranderd of ongeschonden blijft, moet waarneembaar zijn omdat de tijdsduur van een knipoog of een bliksemflits nog steeds lang genoeg is om een gebeurtenis te kunnen waarnemen. Dat is echter niet het geval. Wanneer dit lichaam getroffen wordt door een klap met een grote kracht transformeert en verandert het onmiddellijk. Al deze transformaties en veranderingen betekenen een totale verdwijning van de oude verschijnselen en dat ze worden vervangen door geheel nieuwe.

In deze wereld zijn alle waterbewoners en landwezens onophoudelijk aan het zwoegen, worstelen, streven, het zorgen maken en zich elke dag en elk uur aan het afmatten. Als de reden voor deze universele onrust wordt onderzocht, zal men het traceren tot vergankelijkheid of tijdelijkheid (anicca) als de grootste factor. Men zal zien dat vergankelijkheid of tijdelijkheid de oorzaak van alle problemen en lijden (dukkha) is. Dan zal men zich de ontzagwekkende omvang van het gevaar realiseren wat voortkomt uit vergankelijkheid of tijdelijkheid. Waren alle dingen permanent en eeuwig (nicca), dan zou er niet de geringste reden zijn om te streven of zich zorgen te maken in deze wereld. De onvermijdelijke uitvoering van verdienstelijke daden (puñña-kiriya) zoals het geven van aalmoezen (dāna) en het beoefenen van moraliteit (sīla) etc., is ook toe te schrijven aan vergankelijkheid of tijdelijkheid. Deze praktijk van deugdzaamheid is ook een vorm van lijden (dukkha) die problemen en zorgen met zich meebrengen alleen al vanwege vergankelijkheid. Waren alle dingen in de wereld permanent en niet vergankelijk, dan zou er geen zorgen of angst voor de toekomst zijn.

Het kenmerk van vergankelijkheid (anicca-lakkhaṇa) betekent ononderbroken dood van moment tot moment (khaṇika-maraṇa) en het sterven van moment tot moment (khaṇika-bhaṅga). Omdat deze dood van moment tot moment inherent is aan dit bewustzijn-lichaam complex, worden alle bewuste wezens overvallen door het gevaar van oneindige problemen en zorgen met betrekking tot het verdienen van de kost in het huidige leven en door de oneindige problemen en angsten voor de oneindige ronde van toekomstige wedergeboorten (saṃsāra). Daarom moet je diepgaand je begrip en besef van dit belangrijke probleem realiseren door het bestuderen van deze punten in samenhang met wat we hebben eerder gezegd over de enorme omvang en de moeilijkheid van de taak van het continueren van het levenscontinuüm, het verdienen van de kost, en het doen van investeringen voor nieuwe geboortes.

Hier eindigt de korte uiteenzetting over de kenmerken van vergankelijkheid inherent aan dit bewustzijn-lichaam complex.

Negende Item van de Matrix

Het Enorme Lijden

Met betrekking tot de uitdrukking, “Dit fysieke lichaam is een pure massa van ellende, moeilijkheden en lijden (ayaṃ kāyo dukkho),” opgenomen in het negende punt van de matrix, zouden we willen zeggen dat er drie soorten lijden zijn, namelijk:

  1. Lijden binnen het lijden (dukkha-dukkha)
  2. Lijden in verband met conditioneringsactiviteiten (saṅkhāra-dukkha)[vi]
  3. Lijden in verband met radicale verandering (vipariṇāma-dukkha) [vii]

(1) “Lijden binnen het lijden” (dukkha-dukkha) omvat:

  1. Gevaar door interne bronnen zoals de achtennegentig soorten van ziekten die gevoelens van interne hitte, pijn, jeuk, stress, enz. met zich meebrengen.
  2. Gevaar door externe bronnen zoals die welke voortkomen uit rampzalige branden en overstromingen, van wapens zoals het zwaard of speer, van beten van giftige slangen of schorpioenen, met als gevolg pijn en leed
  3. De verschrikkelijke en schrijnende pijn die de bewoners van de lagere werelden van dit soort lijden verdragen.

Zelfs de bewuste wezens van het dierenrijk zijn volledig bewust van dit soort lijden, want als ze voelen dat er gevaar nadert, worden ze gegrepen door angst, vrees en schrik. Bij zulke gelegenheden, rennen ze om dekking te zoeken of draaien zich om teneinde weerstand te bieden, al naar gelang de situatie.

Elke persoon die een dodelijke wond of zweer op zijn lichaam heeft, heeft reden om bang te zijn voor de geur van brandende aardolie, of eetbare olie, of de geur van in olie gebakken uien of knoflook. De angst is in dit geval niet gericht op de geur zelf. In plaats daarvan is het vooral gericht op de mogelijke verergering van zijn lichamelijke klacht. Een persoon die geen dodelijke pijn in zijn lichaam heeft, heeft niets te vrezen van een frituurgeur. In deze analogie, is dit bewustzijn-lichaam complex (khandha) een waar broeinest van dodelijke wonden en zweren waardoor het kokend heet is en in een ziedende onrust. Het staat altijd klaar om te worden verstoord door dodelijke pijn wanneer er interne en externe gevaren ontstaan, die we hebben bestempeld als ‘frituurgeur’. Als men de vindingrijkheid heeft om de bron van alle problemen in de vorm van zorgen en angsten te onderzoeken, of ontzetting en vrees, zou men het herleiden tot dit bewustzijn-lichaam complex. Het zou duidelijk zijn voor iemands intellectuele kennis dat de oneindige problemen en moeilijkheden van alle bewuste wezens zijn toe te schrijven aan de alomtegenwoordigheid van dit lijden binnen het gewone lijden.

Hier eindigt de korte uiteenzetting over het lijden binnen het lijden.

(2) “Lijden in verband met conditioneringsactiviteiten” (saṅkhāra-dukkha) betekent:

  1. Het voorafgaande leed dat betrekking heeft op het streven met zorg en angst om het object van verlangen te bereiken dat nog niet bereikt is
  2. Het voorafgaande leed dat betrekking heeft op het streven met zorg en angst om het object van verlangen te verkrijgen dat nog niet verkregen is
  3. Het voorafgaande leed dat betrekking heeft op het streven met zorg en angst om de komst van het object van verlangen te bewerkstelligen dat nog niet bewerkstelligd is

Al deze massa’s lijden worden “Lijden in verband met conditioneringsactiviteiten genoemd.”

(3) “Lijden in verband met radicale verandering” (vipariṇāma-dukkha) betekent:

  1. Het lijden dat betrekking heeft op het streven wat gepaard gaat met zorg en angst, zodat het object van iemands verlangen, dat al verworven is na veel zwoegen en ploeteren met zorgen en piekeren, niet zal worden vernietigd, niet zal verdwijnen, niet zal afnemen, niet ten nadele zal veranderen, niet zal sterven, niet aan gevaar, straf of vijandschap onderhevig zal zijn.
  2. Het lichamelijk lijden (kāyika-dukkha) en het mentale lijden (cetasika-dukkha) door iemand in stand gehouden wanneer, ondanks iemands streven met zorg en angst om een dergelijke vernietiging, verdwijning, achteruitgang, etc. te voorkomen, er toch achteruitgang, vermindering, verdwijning of verlies zich voordoen als condities voor dergelijke ongelukken en tegenslagen.

Voor een goed begrip geven we de volgende vergelijking: de drie soorten lijden zijn inherent aan de gekookte rijst die we dagelijks eten. Die rijst belast een persoon die zich er niet los van kan maken of er afstand van doen op drie manieren. Ten eerste belast het de gebruiker met lijden wat-voortkomt-uit-het-vooraf-gestelde-doel (saṅkhāra-dukkha). Dit houdt het voortdurende streven met zorg en angst in, gedurende de hele periode vanaf de eerste fase van inspannende pogingen om vele jaren vooruit zaad van granen te verkrijgen tot de laatste fase vele jaren daarna van het koken van de rijst voor het uiteindelijke eten. Wie niet kan afzien van het eten van rijst wordt in deze onontbeerlijke periode altijd overvallen met het lijden wat-voortkomt-uit-het-vooraf-gestelde-doel. Wanneer je echter stopt met het eten van rijst, ben je bevrijd van zulk lijden. Het is omdat rijst echt een geconditioneerd verschijnsel is (saṅkhāra-dhamma) waarvan de productie een beproeving vereist, jaren vooruit, dat er met zorgen en angst wordt gestreefd naar het oplossen van een enorme reeks van alle kwellende problemen die ermee te maken hebben. Dit is hoe rijst degenen met lijden belast die het niet kunnen opgeven, dat gepaard gaat met conditionerende activiteiten.

[De hierboven beschreven conditionerende activiteiten (saṅkhāra) zijn louter activiteiten die onder het begrip ‘continuïteit’ vallen (santati-saṅkhāra). Met betrekking tot conditionerende kortstondige activiteiten (khaṇika-saṅkhāra) moeten zij met verwijzing naar de Wet van Causale Relaties, de Paṭṭhāna worden beschouwd.]

De Last van Eten

Er zal nu worden uitgelegd hoe rijst diegenen met lijden belast die het eten ervan niet op kunnen geven dat gepaard gaat met radicale verandering (vipariṇāma-dukkha). Er zit een lange periode tussen de eerste fase van inspannende pogingen om zaadkorrels vele jaren vooruit zeker te stellen en de laatste fase van het oplossen van kwellende problemen in verband met de afvoer van afvalstoffen uit de darmen na het eten van rijst. Al het met zorg en angst streven tijdens die tussenliggende periode om werkloosheid af te wenden of te omzeilen, dalingen en rampen in de productie van rijst af te wenden of te omzeilen, wordt lijden in verband met radicale verandering genoemd in relatie tot rijst. Een persoon die niet kan afzien van het eten van rijst wordt permanent overvallen met het lijden dat gepaard gaat met radicale veranderingen in verband met rijst. Wanneer er geen rijst wordt gegeten, wordt hij bevrijd van dergelijk lijden. Dit komt omdat alle objecten, die de factoren zijn van het produceren van rijst, het kenmerk hebben van vernietigbaarheid en radicale verandering wanneer de omstandigheden die gunstig zijn voor een dergelijke vernietiging of verandering ontstaan. Hier eindigt de beschrijving van de lasten die worden opgelegd door rijst op degenen die niet kunnen stoppen met het eten ervan in de vorm van lijden geassocieerd met radicale verandering.

Al het lichamelijk en geestelijk leed dat ontstaat in de loop van het met zorg en angst streven, tijdens de activiteiten die vooraf en achteraf plaats vinden in relatie tot de productie van rijst voor consumptie worden lijden binnen het gewone lijden genoemd. Daarom legt rijst deze mensen de last van het lijden binnen het gewone lijden voor altijd op. Wanneer omstandigheden die gunstig zijn voor de vernietiging of het verlies van de rijstproductie ontstaan, zullen dergelijke ondernemingen ook beslist dergelijke rampen meemaken. Alle verdriet en geweeklaag in verband met deze vernietiging of dit verlies betekent lijden in verband met radicale verandering, omdat rijst niet de staat bereikt van gekookt worden in een efficiënt proces. De volgende tegenslagen worden lijden dat verband houdt met radicale verandering genoemd omdat ze pas ontstaan nadat de rijst efficiënt met succes is geproduceerd en geconsumeerd:

  1. Lijden als gevolg van een dodelijk geval van indigestie
  2. Lijden als gevolg van verschillende ziekten (vanwege een allergie voor bepaalde voedingsmiddelen)
  3. Lijden als gevolg van de afvoer van afvalproducten van de darmen, ook al is het voedsel goed verteerd.

Er is een algemeen gezegde en geloof dat de ontbinding en vernietiging van de afhankelijke stoffelijkheid (upādā-rūpa) zoals kleur, vorm (rūpa), geur (gandha) en smaak (rasa) veroorzaakt door het proces van kauwen in de mond, radicale verandering (vipariṇāma) inhouden. Alle tot nu toe gebruikte uitdrukkingen met betrekking tot het Pali-woord vipariṇāma liggen louter op het vlak van het concept van continuïteit (sanṭati-pañatti).

Radicale Verandering in Kortstondige Stadia van Moment tot Moment

In termen van kortstondigheid (khaṇika), echter, zijn de ultieme realiteiten (paramattha-dhamma) zoals het aarde-element, water-element, enz., die zich in vorm manifesteren door middel van verschillende factoren van oorsprong (uppāda), niet in staat om zich in hun oorspronkelijk nieuwe en verse staat te handhaven, zelfs gedurende een knipoog. Ze kunnen niet twee momenten achter elkaar hetzelfde blijven. Verteerd door het vuur van het verval[viii] (jarā), vergaan en verslechteren ze in kortstondige stadia. Verteerd door het vuur des doods [ix] (maraṇa), zijn ze aan het oplossen en uiteen vallen in kortstondige stadia.

Zulke soorten kortstondige ontbindingen en verval, als gevolg van de aanval op de gevaren van jarā en maraṇa, worden ‘radicale verandering in kortstondige stadia’ genoemd (khaṇika-vipariṇāma). De ultieme realiteiten (paramattha-dhamma) zoals het aarde-element en water-element die voortdurend onderworpen zijn aan deze wet van radicale verandering in een kortstondige fase zijn inderdaad de echte materialen die verbrand worden, of ‘voedsel,’ gevoed aan de vuren van verval en dood. Ze zijn op geen enkele manier, een ‘feest van plezier’. Omdat ze voortdurend onderhevig zijn aan de gewelddadige aanval van verval en de dood, worden ze gekarakteriseerd door een afschuwelijke dood en uiteenvallen en worden daarom ‘de groepen van lijden die geassocieerd worden met radicale verandering’ genoemd.

De Gelijkenis van de Kerker van de Koning met Brandende Inferno’s

Wanneer waargenomen met wijsheid of onderscheidingsvermogen, lijken elk van deze met huid bedekte lichamen, groot of klein, op een kerker van de koning met brandende inferno’s. Alle mentale en materiële verschijnselen van het lichaam, bestaande uit elementen zoals het aarde-element, het water-element, enz., zijn als veroordeelde gevangenen die op bevel van de koning in brandende kerkers worden gegooid. De branden van verval en de branden van de dood zijn als de immense en zeer brandbare kruitvaten en vlammenwerpers die alle gevangenen van de kerker in één klap kunnen opblazen, niets als restant achterlatend.

De wijze van gelijkenis kan als volgt worden verklaard. De vier grote factoren van het leven namelijk:

  1. Wilsuiting (kamma)
  2. Geest of bewustzijn (citta)
  3. Temperatuur of thermische omstandigheden (utu)
  4. Voeding (āhāra)

Die voor altijd een opeenvolging van nieuwe mentale en materiële verschijnselen in dit hele bewustzijn-lichaam complex bouwen zonder een moment van onderbreking, en die ze ook onmiddellijk vernietigen in hetzelfde proces, zijn als vier gevangenisbewaarders die de veroordeelde gevangenen neergooien in de kerker van vernietigende branden zonder onderbreking.

In de Canonieke Geschriften heeft de Gezegende echter, in een mooie gelijkenis, de voeding van de mentale wilskracht (mano-sañcetana-āhāra), wat synoniem is met de heilzame en onheilzame wilsacties (kusala-akusala-kamma), vergeleken met twee geduchte mannen met een grote kracht, die alle nieuwkomers vastgrijpen en ze in de vlammenzee gooien. De mentale en materiële fenomenen, die in alle onderdelen van dit proces voor altijd ontstaan in dit bewustzijn-lichaam complex in een ononderbroken proces van kortstondigheid, worden onmiddellijk vernietigd door de branden van het verval en de branden van de dood in een soortgelijk proces in het niets, d.w.z., dat er zelfs geen as wordt achtergelaten bij elke vernietiging. Dit proces van psycho-fysieke verbranding vertoont een gelijkenis, voor wat betreft het complete en totale uiteenvallen met het verbranden van veroordeelde gevangenen door de immense en zeer vernietigende vuuruitstotende kruitvaten en brandende straal-machines van de helse kerkers, die hierboven zijn vergeleken, die niets achterlaten, zelfs geen as, als restant na elke volgende vernietiging.

Hier eindigt de verhandeling over de betekenis van de term “radicale verandering van moment tot moment.”

De Problemen en Ergernissen van de Verdienstelijke Activiteiten, enz

We stellen nu voor om de gelijkenis van de conditionerende activiteiten te vergelijken (santati-saṅkhāra) met betrekking tot de productie van rijst, zoals die hierboven zijn genoemd in termen van het begrip ‘continuïteit’ of ‘waarneembare verandering’ (santati-pañatti) in dit bewustzijn-lichaam complex, de vijf aggregaten (khandha). Stel jullie allemaal voor dat je bewustzijn-lichaam complex, groot of klein, dat bekleed is met een huid, een pot rijst is die al goed gekookt is.

Om ervoor te zorgen dat je je bewustzijn-lichaam complex in stand kan houden, (wat slechts een opeenvolging is van nieuw ontstane mentale en materiële verschijnselen in een ononderbroken proces vanaf het moment van conceptie in de baarmoeder van een moeder tot op dit moment), heb je, tijdens je vorige levens, enorme en eindeloze testen, beproevingen en zorgen om de kost te verdienen moeten ondergaan, gecombineerd met het doen van verdienste. Het verdienen van de kost omvat beroepsactiviteiten zoals landbouw en handel. Verdienstelijke daden zijn onder meer het geven van aalmoezen en het beoefenen van moraliteit, enz. Voor dit doel heb je de middelen moeten verdienen, vergezeld met problemen. In het huidige bestaan moet je ook enorme en eindeloze beproevingen en zorgen ondergaan om de kost te verdienen, gecombineerd met het doen van verdienste. Je eeuwigdurende zorgen en het belangrijkste hoofddoel is om, indien mogelijk, je levensduur tot honderd jaar te verlengen, gerekend vanaf het moment van conceptie tot de uiteindelijke vernedering van de dood (cuti) van door karma geproduceerde-materie (kammaja-rūpa). Al deze problemen en ergernissen worden de massa van het lijden genoemd die gepaard gaat met conditioneringsactiviteiten (saṅkhāra-dukkha) of met de vestiging en het onderhoud van deze vijf aggregaten (khandha). Als de onmetelijkheid van de nooit aflatende taak om de kost te verdienen, die alle waterbewoners en landwezens op elk moment dag en nacht er mee confronteert, volledig is gerealiseerd, zal de onmetelijkheid van de moeite van het vestigen van en het onderhoud van deze vijf aggregaten ook volledig worden gerealiseerd.

In het huidige leven kan men met eigen ogen zien hoe groot de moeite is bij het geven van aalmoezen of het geven van liefdadigheid op een georganiseerde manier. De schrijnende taak van het verzamelen van de middelen om liefdadigheid te beoefenen, het begroeten en het onderhouden van de ontvangers van aalmoezen, en het nakomen van bijkomende verplichtingen is voor iedereen duidelijk. Door deze bekende feiten te beoordelen, kan men zich een idee vormen over de problemen die men in zijn vroegere bestaan had als vooraf gedane betaling (investering) voor het toekomstige welzijn van deze vijf aggregaten (khandha). Vanaf het moment van de bevruchting in de baarmoeder van een moeder tot en met het laatste moment van de dood, liggen er de tussenliggende jaren van een menselijk leven. Als deze periodes van de duur van een leven worden gereduceerd tot kleinere tijdseenheden, zou er een oneindig aantal jaren zijn, periodes van twee weken, dagen, uren en momenten. Nu, in de loop van deze oneindigheden, is er geen enkel moment waarop de vernietiging niet kan plaatsvinden, indien de omstandigheden gunstig zijn voor een dergelijke vernietiging. Ook is er geen enkel moment in de loop van die oneindigheden waarbij een verandering of de dood niet kan plaatsvinden als de omstandigheden gunstig zijn voor een dergelijke verandering of overlijden, al naar gelang het geval.

Aangezien verandering en de dood alomtegenwoordig zijn in deze wereld, spannen bewuste wezens zich met grote angst, vrees, schrik en onrust in om mogelijke vernietiging, verandering of dood af te wenden en te omzeilen. Al deze problemen en ergernissen van het leven vallen binnen de definitie van lijden, geassocieerd met de radicale verandering van dat bewustzijn-lichaam complex.

Ondanks alle inspanningen en pogingen om de gevaren van naderende veranderingen of de dood af te wenden of te omzeilen komen er talrijke veranderingen en verstoringen voorbij in de vorm van ontwrichtingen, ziekte, pijnen, spanning, jeuk etc. Ondanks dergelijke mogelijkheden moeten bewuste wezens die gevaren en problemen riskeren omwille van de levensbehoeften. Daarnaast zijn er ook problemen die voortkomen uit hebzucht, haat, verwaandheid en het hebben van onjuiste opvattingen (micchā-diṭhi), met betrekking tot, onder andere de praktijk van zelfkastijding door het onderdompelen in koud water tijdens de winter en het onderwerpen van het lichaam aan de hitte van het vuur tijdens de zomer. Er zijn ook problemen en ongemakken in zulke spirituele bezigheden als het leren van de Dhamma of het beoefenen van de Dhamma. Al deze problemen vallen binnen de definitie van lijden, geassocieerd met een radicale verandering van dit bewustzijn-lichaam complex. In de voorgaande paragrafen hebben we al gesproken over de uiteenzetting over het lijden, dat gepaard gaat met kortstondige veranderingen (khaṇika-vipariṇāma-dukkha).

Verkort of samengevat, betekent de bovenstaande verhandeling in essentie: Om ervoor te zorgen dat een wedergeboorte of een nieuwe creatie goed past bij de eigen wens in de toekomst, voert een persoon de volgende verdienstelijke of niet verdienstelijke handelingen een uur van tevoren, een maand van tevoren, een jaar van tevoren, een leven van tevoren of een wereldcyclus van tevoren uit:

  1. aalmoezen geven
  2. het beoefenen van moraliteit
  3. het beoefenen van bewustzijnsontwikkeling
  4. het beoefenen van goed gedrag
  5. het beoefenen van slecht gedrag
  6. monnik worden
  7. een kluizenaar worden
  8. het op een goede manier in je levensonderhoud voorzien
  9. het op een slechte manier in je levensonderhoud voorzien

Alle problemen, kwellingen, beproevingen die betrokken zijn bij al deze ondernemingen vallen onder de definitie van lijden in verband met conditioneringsactiviteiten (saṅkhāra-dukkha). De Gezegende verwijst naar deze problemen, etc., wanneer hij verkondigt (in vers nr. 278 van de Dhammapada), “Alle geconditioneerde dingen houden lijden in” (sabbe saṅkhārā dukkhā).

Als gevolg van de conditioneringsactiviteiten die in het verleden zijn verricht, vindt wedergeboorte of nieuwe creatie daarna plaats. Deze creatie vraagt opnieuw om nieuwe inspanning en streven, met zorgen en angst, voor de bestendiging en bevordering ervan. Deze moeite valt binnen de definitie van lijden in verband met conditioneringsactiviteiten. Er zijn ook voorbereidingen getroffen met het oog op het afwenden en omzeilen van mogelijke verstoringen of storingen in een proces van aangename oorsprong (iṭṭha-jāti) of het ontheemd zijn door een proces van onaangename oorsprong (aniṭha-jāti). Al deze problemen die genomen zijn in afwachting van het naderende gevaar van radicale verandering vallen binnen de definitie van lijden, geassocieerd met radicale verandering van dat bewustzijn-lichaam complex.

Hier eindigt de korte uiteenzetting van de kenmerken en tekens van het lijden dat voortvloeit uit dit bewustzijn-lichaam complex.

Tiende Item van de Matrix

Dit Lichaam is Zonder Ego

We zullen nu de betekenis van de uitdrukking “Dit lichaam (de vijf aggregaten) is zonder een ego” (ayaṃ kāyo anattā) uitleggen wat staat in het tiende punt van de matrix. Het woord ‘lichaam’ (‘ko’) in de Birmese weergave gebruikt met verwijzing naar de Pali-term anattā, heeft niet dezelfde betekenis als de woorden, ‘fysiek lichaam’ vertegenwoordigd door de Pali-termen, kāya, sarīra, deha, tanu, vapu, gatta en bondi. Het woord ‘zelf’, dat synoniem is met het woord ‘ik’, wordt in het dagelijkse taalgebruik gebruikt om onderscheid te maken tussen een zelf als een interne entiteit en anderen als externe entiteiten. De volgende uitdrukkingen worden gegeven als gelijkenissen:

  1. “In wanhoop, zal een moeder haar zoon nauwelijks als een zoon beschouwen van haar eigen ik.”
  2. “Niemand wordt meer geliefd met meer gehechtheid dan het eigen zelf” (atta-sama-pemā natthi).”
  3. “De zoon van je eigen ik. Zijn zoon.”
  4. “De vrouw van jezelf. Zijn vrouw.”

 In de vorige hoofdstukken hebben we uitgebreid de natuurwetten uitgelegd in de ultieme betekenis (dhamma-sabhāva) voor zover ze betrekking hebben op de negen voorgaande samenvattingen of matrices. Als je de ultieme realiteiten met penetratie en objectieve kennis kan realiseren waarnaar in het heden en de eerdere samenvattingen wordt verwezen zal het idee van een ‘zelf’, ‘ego-entiteit’, ‘bewust-wezen’, ‘kern’ of ‘substantie,’ voor altijd verdwijnen en zal een succesvolle doorbraak om de hogere kennis van de waarheid van onpersoonlijkheid en conditionaliteit (anattā-vijjā) worden bereikt. Als de sluier wordt opgelicht en de vier grote primaire elementen, de zes zintuiglijke basissen (saļāyatana) en de zes bewustzijnselementen (viññāṇa-dhātu) worden doorzien met indringend inzicht, zal de ego-illusie (atta-diṭṭhi) voor altijd verdwijnen. Wanneer de kenmerken van vergankelijkheid (anicca-lakkhaṇa) en van het lijden (dukkha-lakkhaṇa) in deze elementen met doordringend inzicht worden doorzien, zal het idee van ‘mijn’, ‘mijn spullen’ of ‘dingen’ met betrekking tot een zelf (attaniya) voor altijd verdwijnen en men bereikt het doel, d.w.z. het einde van het pad dat leidt naar de hogere kennis van de Nobelen (ariya-vijjā). Door dit doel te bereiken, wordt men bevrijd vanuit de zijnsstaat van een loutere inzicht-trainee (yogī) en wordt getransformeerd in iemand die begiftigd is met de drievoudige kennis (tevijjā) bestaande uit:

  • Kennis van vroegere geboorten (pubbe-nivāsa-ñāṇa)
  • Kennis van het goddelijk oog (dibba-cakkhu-ñāṇa)
  • Kennis van de vernietiging van alle bezoedelingen (āsavakkhaya-ñāṇa).

Epiloog

Hier komt de beknopte Vijjāmagga Dīpanī of het Handboek van het Pad naar Hogere Kennis tot een einde. Het is samengesteld op verzoek van een prediker-kluizenaar die in het gebied van de Kusināra Pagoda, gelegen op een heuvel bij Bilin (in het Thaton district) waar ik, een kluizenaar in de jungle  van het Ledi klooster bij Monywa, arriveerde op de 4e wasdag van Nattaw in het jaar 1260 voor Christus, op een bedevaart om een eerbetoon te brengen. Bij het maken van het verzoek heeft de prediker-kluizenaar de wens geuit om de methode te kennen van het overwinnen van het vasthouden aan het ego-geloof (attavādupādāna), dat synoniem is met persoonlijkheidsgeloof (sakkāya-diṭhi). Deze nieuwe verhandeling, die de methode van het winnen van de hogere kennis laat zien van inzicht (vipassanā-vijjā) dat tegen het ego-geloof ingaat, werd beëindigd op de 12e wasdag van Pyatho in het jaar 1260 B.E. (1898 C.E.).

Hier eindigt het Handboek van het pad dat leidt naar het bereiken van Hogere kennis.

Moge deze verdienstelijke daad voor mij de oorzaak zijn van het bereiken van Bevrijding (nibbāna paccayo hotu).

Een Korte Biografie van Ledi Sayādaw

Bekend bij geleerden van vele landen, was de Eerwaarde Ledi Sayādaw, Aggamahāpaṇḍita, D. Litt., misschien de meest opmerkelijke boeddhistische figuur van dit tijdperk. Met de toename van de belangstelling voor het boeddhisme in de westerse landen, er is een grote vraag naar zijn boeddhistische verhandelingen en geschriften.

Bhikkhu Ñāṇa die later bekend werd als Ledi Sayādaw werd geboren op dinsdag, de 13e Wassende Maan of Nattaw, 1208 Burmees tijdperk (1846 C.E.) in Saing-pyin Village, Dipeyin Township, Shwebo. District. Zijn ouders waren U Tun Tha en Daw Kyone. Op jonge leeftijd werd hij geaccepteerd in de Sangha als een sāmaṇera en op de leeftijd van 20 jaar als een bhikkhu, onder het beschermheerschap van Salin Sayādaw U Paṇḍicca. Hij ontving zijn kloosteronderwijs onder verschillende leraren en werd later opgeleid in de boeddhistische literatuur door de Eerwaarde Sankyaung Sayādaw, Sudassana-dhaja-atulādhipati-sīripavaramahādhamma- rājādhi-rāja-guru van Mandalay.

Hij was een briljante student. Er werd over hem gezegd: “Ongeveer 2000 studenten woonden de lezingen bij die dagelijks door de Eerwaarde Sankyaung Sayādaw werden gegeven. Op een dag formuleerde de eerwaarde Sayādaw twintig vragen in Pali over pāramī (perfecties) en vroeg alle studenten om ze te beantwoorden. Geen van hen, behalve Bhikkhu Ñāṇa, kon die vragen naar tevredenheid beantwoorden.” Hij verzamelde al deze antwoorden en toen hij 14 regenretraites bereikte (vassa) en toen hij nog in het San-kyaung Klooster was, publiceerde hij zijn eerste boek – de Pārami Dīpanī (Handboek der Perfecties).

Tijdens het bewind van Koning Theebaw werd hij een Pali-docent in het Mahā Jotikārāma-klooster in Mandalay. Een jaar na de gevangen name van koning Theebaw, d.w.z. in 1887 C.E. verhuisde hij naar een plek in het noorden van Monywa Town, waar hij een klooster oprichtte onder de naam Ledi-tawya Klooster. Hij accepteerde veel bhikkhu-studenten uit verschillende delen van Birma en gaf boeddhistisch onderwijs aan hen. In 1897 C.E. schreef hij de Paramattha Dīpanī (Handboek van de Ultieme Waarheden) in Paļi.

Later heeft hij vele delen van Birma afgereisd met als doel het propageren van de Boeddha Dhamma. In de steden en dorpen die hij bezocht, gaf hij verschillende verhandelingen over de Dhamma en heeft Abhidhamma-klassen en Meditatiecentra opgericht. Hij componeerde Abhidhamma-rijmen of abhidhamma-saṅkhitta en onderwees deze in zijn Abhidhamma-klassen. In sommige van de hoofdsteden bracht hij een vassa, regen-retraite door, bracht Abhidhamma- en Vinaya-onderwijs aan lekengelovigen over. Er zijn nog steeds kloosters in Birma, zoals het Kyaikkasan Ledi Meditatiecentrum in Rangoon en Leditawya Klooster, dat werd opgericht door Ledi Sayādaw zelf in de buurt van Monywa, waar zijn leer en de verhandelingen worden bewaard en nog steeds worden bestudeerd.

Tijdens zijn reizen schreef hij vele essays, brieven, gedichten, en handleidingen in het Birmees. Hij heeft meer dan zeventig handleidingen geschreven (zie onderstaande bibliografie), waarvan er zeven zijn vertaald in het Engels en gepubliceerd in krant The Light of the Dhamma. De Vipassanā Dīpanī (Handboek van Inzicht) werd vertaald door zijn discipel Sayādaw U Ñāṇa, [x] Paṭhamagyaw. De Paṭṭhānuddesa Dīpanī (Een beknopte uiteenzetting van de boeddhistische filosofie van Relaties) werd oorspronkelijk geschreven in Pali door wijlen Ledi Sayādaw en vertaald door Sayādaw U Ñāṇa. De Niyāma Dīpanī (Handleiding van Kosmische Orde) werd vertaald door U Ñāṇa en Dr Barua en bewerkt door mevrouw Rhys Davids. De Sammādiṭhi Dīpanī (Handleiding van Juist begrip) en de Catusacca Dīpanī (Handboek van de Vier Edele Waarheden) en de Alin Kyan (Een Verhandeling van Vijf Soorten Licht), slechts gedeeltelijk vertaald, werden allemaal vertaald door de redactie van The Light of the Dhamma. Bodhipakkhiya Dīpanī (Handboek van de Factoren die leiden tot Verlichting) werd vertaald door U Sein Nyo Tun, I.C.S. (Retd.), en de Maggaṅga Dīpanī (Handboek van de Onderdelen van het Edele Pad) werd vertaald door U Zag Tun Teik, B.A., B.L., en herzien en bewerkt door de Engelse Redactiecommissie van de Boeddha Sāsana Raad van de Unie.

In het jaar 1910, toen hij in het Masoyain-klooster verbleef in Mandalay, stichtten de eerwaarde Ledi Sayādaw, samen met de Abhidhaja-mahāraṭṭhaguru Masoyain Sayādaw of Mandalay (Voorzitter van de Zesde Grote Boeddhistische Raad), de Eerwaarde Sayādaw U Ñāṇa en U Shwe Zan Aung B.A., de Birmese Boeddhistische Buitenlandse Missie. Dit project werd uitgevoerd door Masoyain Sayādaw van Mandalay tot aan de dood van zijn Engelse collega in deze onderneming, Sayādaw U Ñāṇa, die stierf rond 1936.

Ledi Sayadaw werd bekroond met de titel Aggamahāpaṇḍita door de regering van India in 1911 C.E. Later, gaf de Universiteit van Rangoon hem de graad van D. Litt. (Honoris Causa). In zijn laatste jaren vestigde hij zich in Pyinmana, waar hij in 1923 stierf C.E. op de hoge leeftijd van 77 jaar.

Het is bekend dat in 1856 koning Mindon (1852-1877) het verdienstelijke idee bedacht om de Pāļi Tipiṭaka te laten snijden op 729 marmerplaten in Maṇḍalay zodat de Leringen zouden worden bewaard. Het werk vond plaats van 1860 tot 1868. Het is echter niet zo bekend buiten Birma dat een dergelijk teken van respect voor de werken van Eerwaarde Ledi Sayādaw werd gemaakt door zijn aanhangers in Monywa in Opper-Birma na zijn dood. Deze erkenning en behandeling van het werk van een boeddhistische monnik is uniek en het geeft een indicatie van het immense belang dat wordt gehecht aan zijn geschriften.

De reputatie van Ledi Sayādaw leeft nog steeds voort in Birma en in de boeddhistische wereld. Hij was een bhikkhu van grote geleerdheid en een vruchtbare schrijver met een unieke stijl van uiteenzetting. Hij was een sobere bhikkhu, maar een zeer humane, die vaak een hele verhandeling zou schrijven of een lange brief als antwoord op een vraag van een student of luisteraar.     


Voetnoten

[1] Er wordt hier gerefereerd aan 2 heilzame cetasika’s, te weten alobha en adosa, die lastig te vertalen zijn naar het Nederlands. Het is eigenlijk de tegenhanger van lobha (begeerte) en de tegenhanger van dosa (boosheid). Echter de woorden geen-begeerteen geen boosheid als zelfstandig naamwoord bestaan niet in het Nederlands. De keuze daarom gemaakt voor vrijgevigheid en vriendelijkheid (toevoeging van de vertaler van Stichting Buddho)

[i] Maar zie Bhikkhu Ñāṇamoli’s beoordeling van deze term “naam en vorm” (nāma-rūpa) in bijlage I, p.330 Minor reading & Illustrator (Khuddakapāṭha) P.T.S.

[ii] De acht verworvenheden (samāpatti) zijn:

  1. De eerste mentale absorptie (paṭhama-jhāna)
  2. De tweede mentale absorptie (dutiya-jhāna)
  3. De derde mentale absorptie (tatiya-jhāna)
  4. De vierde mentale absorptie (catuttha-jhāna)
  5. De sfeer van de onbegrensde ruimte (ākāsānañcāyatana)
  6. De sfeer van het onbegrensde bewustzijn (viññāṇañcāyatana)
  7. De sfeer van het niets (ākiñcaññāyatana)
  8. De sfeer van geen enkele waarneming, noch van de ene, noch van de andere. (nevasañānāsañāyatana).

[iii] De tien stadia van inzicht en kennis zijn:

  1. Inzicht in de drie kenmerken van het bestaan (sammasana- ñāṇa)
  2. Inzicht in het ontstaansproces en de ontbinding van verschijnselen (udayabbaya-ñāṇa)
  3. Inzicht in het proces van ontbinding van verschijnselen (bhaṅga-ñāṇa)
  4. Inzicht in de angstige toestand van verschijnselen (bhaya-ñāṇa)
  5. Inzicht in de foutloosheid van verschijnselen (ādīnava-ñāṇa)
  6. Inzicht dat voortvloeit uit de vervelende toestand van verschijnselen (nibbidā-ñāṇa)
  7. Inzicht dat voortkomt uit een verlangen naar ontsnapping (muccitu-kamyatā- ñāṇa)
  8. Inzicht dat voortkomt uit reflectieve reflectie (paṭisaṅkhā-ñāṇa)
  9. Inzicht dat voortvloeit uit gelijkmoedigheid (saṅkhār’upekkhā-ñāṇa)
  10. Inzicht in aanpassing (anuloma-ñāṇa)

[iv] Een idioom gebaseerd op de Indiase en Birmese boeddhistische mythologie die de Ledi Sayādaw vaak gebruikt om het symbolisch aan te geven de belangrijkste fysieke fenomenen in deze wereld. Mount Meru is de hoogste berg en het centrum van Jambudīpa en de universum De 4 rivieren inclusief de Ganges stromen vanaf de 4 zijden, die bezet zijn door de vier regentengoden. De berg Cakkavāļa, of de ‘omringende bergen’, is een mythische bergketen die de aarde omsluit en de grens vormt van licht en duisternis. De Grote Aarde is de wijde wereld, de aarde. (BPS-editor)

[v] De zes seizoenen volgens oude Indiase begrippen zijn: hemanta, sisira, vasanta, gimha, vassāna en sarada ongeveer equivalent aan december en januari, februari en maart, april en mei, juni en juli, augustus en september, en oktober en november.

[vi] U Pu (of Stanley Davidson) vertaalde deze term hier als ‘voorafgaand lijden’, wat niet voldoende de betekenis van deze belangrijke Pali term, daarom is het veranderd naar de meer geschikte vertaling die U Pu in latere secties gebruikte van dit hoofdstuk. (BPS-editor)

[vii] De vertaling hier was ‘lijden wat na de bereiking ontstaat’, wat is gewijzigd in de betere weergave die in latere secties wordt gebruikt. (BPS Redacteur)

[viii] Zie Inleiding, laatste praragraaf

[ix] Zie Inleiding, laatste praragraaf

[x] Gepubliceerd onder de titel De boeddhistische filosofie van de relaties (Wheel 331/333) door de B.P.S., Kandy.


Wil je beginnen met mediteren of ben je op zoek naar meer verdieping?
Wij bieden persoonlijke begeleiding, volledig op donatie basis.

Gratis Meditatiecursus

Over Ledi Sayadaw

Ledi Sayadaw U Ñaṇadhaja (1 december 1846 - 27 juni 1923) was een zeer invloedrijke Theravada-boeddhistische monnik. Hij werd al op jonge leeftijd erkend als zijnde ver ontwikkeld in zowel de theorie (Abhidhamma) als de praktijk van het boeddhisme en werd daarom vereerd als een geleerde.

Sayadaw begon zijn studie op 20-jarige leeftijd in Mandalay in Thanjaun. Daar werd hij beschouwd als een pientere en ambitieuze jonge monnik, maar zijn werk was wetenschappelijk van aard. Nadat een grote brand in 1883 Mandalay had verlaten en zijn huis en zijn geschreven werk tot dan toe verloren waren gegaan, keerde Sayadaw terug naar het dorp van zijn jeugd.

Spoedig stichtte Sayadaw een woudklooster in het "Ledi-woud" en begon hij intensieve meditatie te beoefenen en te onderwijzen. Aan dit klooster dankt hij zijn naam, Ledi Sayadaw, wat "gerespecteerd leraar van het Ledi-woud" betekent. In 1900 gaf Sayadaw de controle over het klooster op en ging hij zich meer toeleggen op meditatie in de berggrotten bij de oevers van de Chindwin-rivier.

Hij schreef vele boeken over Dhamma in het Birmaans die ook toegankelijk waren voor serieuze lekenvolgelingen. Vandaar dat hij verantwoordelijk was voor het verspreiden van de Dhamma tot alle lagen van de samenleving en voor het doen herleven van de traditionele beoefening van Vipassanā-meditatie. Ledi Sayadaw wordt daarom gezien als een van de voorvaders van de hedendaagse Vipassanā-beweging.

Je moet zelf de inspanning leveren, de Boeddhas wijzen slechts de weg

Boeddha, Dhp 276
Buddho.org