Ajahn Chah

In de Wereld Leven met Dhamma

Een informeel gesprek, gehouden na een uitnodiging om aalmoezen te ontvangen in het huis van een leek in Ubon, de hoofdstad van het district, vlakbij Wat Pah Pong.

De meeste mensen kennen nog steeds niet de essentie van meditatiebeoefening. Ze denken dat loopmeditatie, zitmeditatie en het luisteren naar Dhamma-lezingen de beoefening zijn. Dat is ook waar, maar dit zijn slechts de uiterlijke vormen van beoefening. De echte beoefening vindt plaats wanneer het bewustzijn een zintuiglijk object ontmoet. Dat is de plaats van beoefening, waar zintuiglijk contact plaatsvindt. Als mensen dingen zeggen die ons niet bevallen is er wrok, als ze dingen zeggen die ons bevallen ervaren we plezier. Dit is de plaats om te oefenen. Hoe gaan we oefenen met deze dingen? Dit is het cruciale punt. Als we de hele tijd geluk en lijden najagen, kunnen we oefenen tot de dag dat we sterven en de Dhamma nooit zien. Dit is zinloos. Wanneer plezier en pijn zich voordoen, hoe gaan we dan de Dhamma gebruiken om er vrij van te zijn? Dit is het punt van beoefening.

Meestal als mensen iets tegenkomen wat hen niet aanstaat, stellen ze zich er niet voor open. Zoals wanneer mensen kritiek krijgen: “Val me niet lastig! Waarom mij de schuld geven?” Dit is iemand die zich afsluit. Precies daar is de plek om te oefenen. Als mensen ons bekritiseren moeten we luisteren. Spreken ze de waarheid? We moeten openstaan en overwegen wat ze zeggen. Misschien heeft het zin wat ze zeggen, misschien zit er iets schuldigs in ons. Ze kunnen gelijk hebben en toch nemen we onmiddellijk aanstoot. Als mensen ons op onze fouten wijzen, moeten we ernaar streven ons ervan te ontdoen en onszelf te verbeteren. Zo zullen intelligente mensen zich oefenen.

Waar verwarring is, kan vrede ontstaan. Wanneer verwarring wordt doorbroken door begrip, blijft er vrede over. Sommige mensen kunnen geen kritiek accepteren, ze zijn arrogant. In plaats daarvan draaien ze zich om en maken ruzie. Dit is vooral zo wanneer volwassenen met kinderen omgaan. Eigenlijk kunnen kinderen soms intelligente dingen zeggen, maar als je bijvoorbeeld hun moeder bent, kun je niet aan hen toegeven. Als je leraar bent kunnen je leerlingen je soms iets vertellen wat je niet wist, maar omdat je de leraar bent kun je niet luisteren. Dit is geen juist denken.

In de tijd van de Boeddha was er een leerling die zeer scherpzinnig was. Op een keer, toen de Boeddha de Dhamma uitlegde, wendde hij zich tot deze monnik en vroeg: “Sāriputta, geloof je dit?” eerwaarde Sāriputta antwoordde: “Nee, ik geloof het nog niet.” De Boeddha prees zijn antwoord. “Dat is heel goed, Sāriputta, jij bent iemand die begiftigd is met wijsheid. Iemand die wijs is gelooft niet gemakkelijk, hij luistert met een open bewustzijn en weegt dan de waarheid van die zaak af voordat hij gelooft of niet gelooft.”

Nu heeft de Boeddha hier een mooi voorbeeld gesteld voor een leraar. Wat eerwaarde Sāriputta zei was waar, hij sprak gewoon zijn ware gevoelens uit. Sommige mensen zouden denken dat als je zegt dat je die leer niet gelooft, je de autoriteit van de leraar in twijfel trekt, ze bang zijn om zoiets te zeggen. Ze zouden gewoon doorgaan en instemmen. Zo gaat het in de wereld. Maar de Boeddha nam geen aanstoot. Hij zei dat je je niet hoeft te schamen voor dingen die niet verkeerd of slecht zijn. Het is niet verkeerd om te zeggen dat je niet gelooft als je niet gelooft. Daarom zei eerwaarde Sāriputta: “Ik geloof het nog niet”. De Boeddha prees hem. “Deze monnik heeft veel wijsheid. Hij overweegt zorgvuldig voordat hij iets gelooft.” Het handelen van de Boeddha hier is een goed voorbeeld voor iemand die een leraar is van anderen. Soms kun je zelfs van kleine kinderen dingen leren; klamp je niet blindelings vast aan posities van autoriteit.

Of je nu staat, zit of rondloopt op verschillende plaatsen, je kunt altijd de dingen om je heen bestuderen. We studeren op de natuurlijke manier, ontvankelijk voor alle dingen, of het nu bezienswaardigheden, geluiden, geuren, smaken, gevoelens of gedachten zijn. De wijze persoon beschouwt ze allemaal. In de echte beoefening komen we op het punt dat er geen zorgen meer op het bewustzijn drukken.

Als we nog steeds niet weten wat leuk en wat niet leuk is, is er nog steeds enige bezorgdheid in ons bewustzijn. Als we de waarheid van deze dingen kennen, denken we na: “Ach, dit gevoel van vinden-dat-iets-prettig-is stelt niets voor. Het is enkel een gevoel dat ontstaat en weer vergaat. Afkeer is evenmin iets bijzonders – slechts een gevoel dat opkomt en voorbijgaat. Waarom zouden we er iets van maken?” Als we denken dat plezier en pijn persoonlijke bezittingen zijn, dan zitten we in de problemen, we komen nooit verder dan het punt van een of andere zorg in een eindeloze keten. Zo gaat het voor de meeste mensen.

Maar tegenwoordig praten ze niet vaak over het bewustzijn als ze de Dhamma onderwijzen, ze praten niet over de waarheid. Als je over de waarheid spreekt, maken mensen zelfs bezwaar. Ze zeggen dingen als, “Hij kent tijd en plaats niet, hij weet niet hoe hij netjes moet spreken.” Maar mensen moeten luisteren naar de waarheid. Een echte leraar praat niet alleen uit zijn hoofd, hij spreekt de waarheid. Mensen in de maatschappij spreken meestal uit hun geheugen, hij spreekt de waarheid. Mensen in de maatschappij spreken meestal uit het geheugen, en bovendien spreken ze meestal op zo’n manier dat ze zichzelf verheerlijken. De ware monnik spreekt niet zo, hij spreekt de waarheid, zoals de dingen zijn.

Hoeveel hij de waarheid ook uitlegt, het is moeilijk te begrijpen voor de mensen. Het is moeilijk om de Dhamma te begrijpen. Als je de Dhamma begrijpt moet je dienovereenkomstig oefenen. Het is misschien niet nodig om monnik te worden, hoewel het monnikenleven de ideale vorm voor beoefening is. Om werkelijk te oefenen moet je de verwarring van de wereld verlaten, familie en bezittingen opgeven, en de bossen intrekken. Dit zijn de ideale plaatsen om te oefenen.

Maar als we nog steeds familie en verantwoordelijkheden hebben, hoe moeten we dan oefenen? Sommige mensen zeggen dat het onmogelijk is om als leek de Dhamma te beoefenen. Bedenk, welke groep is groter, monniken of leken? Er zijn veel meer leken. Als alleen de monniken oefenen en de leken niet, dan betekent dit dat er veel verwarring zal zijn. Dit is een verkeerd begrip. ‘Ik kan geen monnik worden ….’ Een monnik worden is niet het punt! Een monnik zijn betekent niets als je het niet beoefent. Als je de beoefening van de Dhamma echt begrijpt, dan maakt het niet uit welke positie of beroep je in het leven bekleedt, of je nu leraar, dokter, ambtenaar of wat dan ook bent, je kunt de Dhamma elke minuut van de dag beoefenen.

Denken dat je als leek niet kunt oefenen is het pad volledig uit het oog verliezen. Waarom lukt het mensen wél om motivatie te vinden voor andere dingen? Als ze voelen dat ze iets missen doen ze moeite om het te verkrijgen. Als er voldoende verlangen is kunnen mensen alles doen. Sommigen zeggen: “Ik heb geen tijd om de Dhamma te beoefenen.” Ik zeg, “Hoe komt het dan dat je tijd hebt om te ademen?” Ademen is van levensbelang. Als ze Dhamma-beoefening als vitaal voor hun leven zouden zien, zouden ze het net zo belangrijk vinden als hun ademhaling.

De beoefening van Dhamma is niet iets waar je voor hoeft te rennen of jezelf voor hoeft uit te putten. Kijk gewoon naar de gevoelens die in je bewustzijn opkomen. Wanneer het oog vorm ziet, het oor geluiden hoort, de neus geuren ruikt enzovoort, komen ze allemaal naar dit ene bewustzijn, ‘degene die weet’. Wat gebeurt er als het bewustzijn deze dingen waarneemt? Als we het object leuk vinden ervaren we plezier, als we het niet leuk vinden ervaren we ongenoegen. Dat is alles.

Dus waar vind je geluk in deze wereld? Verwacht je dat iedereen je hele leven alleen maar aardige dingen tegen je zegt? Is dat mogelijk? Nee, dat is niet mogelijk. Als het niet mogelijk is, waar ga je dan heen? De wereld is gewoon zo, we moeten de wereld kennen – lokavidū – de waarheid van deze wereld kennen. De wereld is iets wat we duidelijk moeten begrijpen. De Boeddha leefde in deze wereld, hij leefde nergens anders. Hij ervoer het familieleven, maar hij zag de beperkingen ervan en maakte zich ervan los. Hoe gaan jullie als leken nu oefenen? Als je wilt oefenen moet je je inspannen om het pad te volgen. Als je volhardt in de beoefening zal ook jij de beperkingen van deze wereld zien en in staat zijn om los te laten.

Mensen die alcohol drinken zeggen soms: “Ik kan het gewoon niet opgeven.” Waarom kunnen ze het niet opgeven? Omdat ze er de keerzijde er nog niet van inzien. Als ze duidelijk de keerzijde ervan inzagen, zouden ze niet hoeven te wachten tot men hen zegt het op te geven. Als je de keerzijde van iets niet ziet, betekent dat ook dat je het voordeel van het opgeven ervan niet ziet. Je beoefening wordt vruchteloos, je doet alsof je oefent. Als je duidelijk de keerzijde en het voordeel van iets ziet, hoef je niet te wachten tot anderen je erover vertellen. Denk aan het verhaal van de visser die iets in zijn fuik vindt. Hij weet dat er iets in zit, hij kan het horen fladderen. Hij denkt dat het een vis is, steekt zijn hand in de val, maar vindt een ander soort dier. Hij kan het nog niet zien, dus hij twijfelt. Aan de ene kant zou het een paling1 kunnen zijn, maar aan de andere kant zou het een slang kunnen zijn. Als hij die weggooit kan hij er spijt van krijgen… het zou een paling kunnen zijn. Aan de andere kant, als hij die blijft vasthouden en het blijkt een slang te zijn kan die hem bijten. Hij zit gevangen in een staat van twijfel. Zijn verlangen is zo sterk dat hij blijft vasthouden, voor het geval het toch een paling is, maar zodra hij hem boven water haalt en de gestreepte huid ziet, gooit hij hem meteen weg. Hij hoeft niet te wachten tot iemand roept: “Het is een slang, het is een slang, laat los!” De aanblik van de slang vertelt hem veel duidelijker wat hij moet doen dan woorden zouden kunnen doen. Waarom? Omdat hij het gevaar ziet – slangen kunnen bijten! Wie moet hem dat vertellen? Op dezelfde manier, als we oefenen tot we de dingen zien zoals ze zijn, zullen we ons niet bemoeien met dingen die schadelijk zijn.

Mensen oefenen gewoonlijk niet op deze manier, zij oefenen gewoonlijk voor andere dingen. Ze denken niet na over dingen, ze denken niet na over ouderdom, ziekte en dood. Ze praten alleen over niet-verouderen en niet-doodgaan, dus ontwikkelen ze nooit het juiste gevoel voor Dhamma-beoefening. Ze gaan luisteren naar Dhamma-lezingen, maar ze luisteren niet echt. Soms word ik uitgenodigd om lezingen te houden op belangrijke plaatsen, maar ik vind het vervelend om te gaan. Waarom? Omdat als ik naar de mensen kijk die daar verzameld zijn, ik kan zien dat ze niet gekomen zijn om naar de Dhamma te luisteren. Sommigen ruiken naar alcohol, sommigen roken sigaretten, sommigen kletsen… ze zien er helemaal niet uit als mensen die uit geloof in de Dhamma zijn gekomen. Lezingen geven op zulke plaatsen levert weinig op. Mensen die verzonken zijn in achteloosheid hebben de neiging om dingen te denken als, ‘Wanneer zal hij ooit ophouden met praten?… Kan dit niet doen, kan dat niet doen…’ en hun gedachten dwalen overal heen.

Soms nodigen ze me zelfs uit om een toespraak te houden, gewoon voor de formaliteit: “Geef ons alstublieft een kleine Dhamma-toespraak, eerwaarde heer. Ze willen niet dat ik te veel praat, dat zou hen kunnen ergeren! Zodra ik mensen dit hoor zeggen weet ik wat ze bedoelen. Deze mensen luisteren niet graag naar de Dhamma. Het irriteert hen. Als ik gewoon een klein praatje geef zullen ze het niet begrijpen. Als je maar een beetje eten neemt, is het dan genoeg? Natuurlijk niet.

Soms geef ik een toespraak, net bezig met het onderwerp, en dan roept een dronkaard: “Oké, maak plaats, maak plaats voor de eerwaarde heer, hij komt nu naar buiten! – en probeert me weg te jagen! Als ik dit soort mensen ontmoet, krijg ik veel stof tot nadenken, krijg ik inzicht in de menselijke natuur. Het is als iemand die een fles water heeft en dan om meer vraagt. Je kunt het nergens kwijt. Het is de tijd en energie niet waard om ze iets te leren, want hun bewustzijn zit al vol. Giet er nog meer in en het loopt gewoon nutteloos over. Als hun fles leeg was, zou er een plek zijn om het water in te doen, en zowel de gever als de ontvanger zouden er baat bij hebben.

Op deze manier, wanneer mensen echt geïnteresseerd zijn in de Dhamma en rustig zitten en aandachtig luisteren, voel ik me meer geïnspireerd om les te geven. Als mensen niet opletten is het net als de man met de fles vol water… er is geen ruimte meer om er meer in te doen. Het is nauwelijks de moeite waard om met ze te praten. In dit soort situaties krijg ik geen energie om les te geven. Je kunt niet veel energie steken in het geven als niemand veel energie steekt in het ontvangen.

Tegenwoordig gaat het geven van lezingen zo, en het wordt steeds erger. Mensen zoeken niet naar de waarheid, ze studeren gewoon om de nodige kennis te vinden om in hun levensonderhoud te voorzien, gezinnen groot te brengen en voor zichzelf te zorgen. Ze studeren voor hun levensonderhoud. Er is misschien wat studie van de Dhamma, maar niet veel. Studenten van nu hebben veel meer kennis dan studenten van vroeger. Ze hebben alle benodigdheden tot hun beschikking, alles is handiger. Maar ze hebben ook veel meer verwarring en lijden dan vroeger. Hoe komt dat? Omdat ze alleen zoeken naar het soort kennis waarmee ze hun brood kunnen verdienen.

Zelfs de monniken zijn zo. Soms hoor ik ze zeggen: “Ik ben geen monnik geworden om de Dhamma te beoefenen, ik ben alleen gewijd om te studeren.” Dit zijn de woorden van iemand die het pad van beoefening volledig heeft afgesneden. Er is geen weg vooruit, het is een doodlopende weg. Als deze monniken onderwijzen is dat alleen uit hun hoofd. Ze onderwijzen misschien één ding, maar hun gedachten zijn op een heel andere plaats. Zulke lessen zijn niet waar.

Zo zit de wereld in elkaar. Als je probeert eenvoudig te leven, de Dhamma te beoefenen en vreedzaam te leven, zeggen ze dat je raar en asociaal bent. Ze zeggen dat je de vooruitgang in de maatschappij belemmert. Ze intimideren je zelfs. Uiteindelijk kun je ze zelfs gaan geloven en terugvallen op de wereldse manieren, waarbij je steeds dieper wegzakt in de wereld totdat het onmogelijk is om eruit te komen. Sommige mensen zeggen: “Ik kan er nu niet meer uit, ik ben er te diep ingedoken.” Dit is hoe de maatschappij neigt te zijn. Ze waardeert de waarde van de Dhamma niet.

De waarde van Dhamma is niet te vinden in boeken. Dat zijn slechts de uiterlijke verschijningen van Dhamma, ze zijn niet de realisatie van Dhamma als een persoonlijke ervaring. Als je de Dhamma realiseert, realiseer je je eigen bewustzijn, je ziet daar de waarheid. Als de waarheid duidelijk wordt, snijdt dat de stroom van begoocheling af.

De leer van de Boeddha is de onveranderlijke waarheid, zowel in het heden als in andere tijden. De Boeddha openbaarde deze waarheid 2500 jaar geleden en sindsdien is het de waarheid. Deze leer moet niet worden aangevuld of weggenomen. De Boeddha zei: “Wat de Tathāgata heeft neergelegd mag niet worden weggegooid, wat niet door de Tathāgata is neergelegd mag niet aan de leer worden toegevoegd.” Hij ‘verzegelde’ de leringen. Waarom verzegelde de Boeddha ze? Omdat deze leringen de woorden zijn van iemand die geen bezoedelingen heeft. Hoe de wereld ook verandert, deze leringen blijven onaangetast, ze veranderen niet mee. Als iets verkeerd is, zelfs als mensen zeggen dat het goed is, maakt dat het niet minder verkeerd. Als iets goed is, verandert dat niet omdat mensen zeggen dat het niet goed is. Generatie na generatie kan komen en gaan, maar deze dingen veranderen niet, omdat deze leer de waarheid is.

Wie heeft deze waarheid geschapen? De waarheid zelf heeft de waarheid geschapen! Heeft de Boeddha haar geschapen ? Nee. De Boeddha ontdekte alleen de waarheid, hoe de dingen zijn, en begon die te verkondigen. De waarheid is altijd waar, of er nu een Boeddha in de wereld verschijnt of niet. De Boeddha ‘bezit’ de Dhamma alleen in deze zin, hij creëerde hem niet. Hij is er altijd al geweest. Echter, voorheen had niemand het doodloze gezocht en gevonden en het vervolgens onderwezen als de Dhamma. Hij heeft het niet uitgevonden, het was er al.

Op een bepaald moment wordt de waarheid verlicht en bloeit de beoefening van de Dhamma op. Naarmate de tijd verstrijkt en generaties voorbijgaan degenereert de beoefening tot de leer volledig vervaagt. Na verloop van tijd wordt de leer opnieuw gegrondvest en bloeit opnieuw op. Na verloop van tijd vermenigvuldigen de aanhangers van de Dhamma zich, komt er welvaart, en opnieuw begint de leer de duisternis van de wereld te volgen. En zo ontaardt hij opnieuw, totdat hij geen stand meer kan houden. Verwarring heerst opnieuw. Dan is het tijd om de waarheid te herstellen. In feite gaat de waarheid nergens heen. Als Boeddha’s overlijden, verdwijnt de Dhamma niet met hen.

Zo wentelt de wereld voort. Het is zoiets als een mangoboom. De boom wordt volwassen, bloeit, en de vruchten verschijnen en rijpen. Ze worden rot en het zaad gaat terug de grond in om een nieuwe mangoboom te worden. De cyclus begint opnieuw. Uiteindelijk zijn er meer rijpe vruchten die vallen, rotten, als zaden in de grond zakken en opnieuw uitgroeien tot bomen. Zo zit de wereld in elkaar. Het gaat niet ver, het draait gewoon om dezelfde oude dingen.

Ons leven is tegenwoordig hetzelfde. We doen tegenwoordig gewoon dezelfde oude dingen die we altijd hebben gedaan. Mensen denken te veel na. Er zijn zoveel dingen voor hen om zich in te interesseren, maar geen ervan leidt tot voltooiing. Er zijn de wetenschappen zoals wiskunde, natuurkunde, psychologie enzovoort. Je kunt je er in verdiepen, maar alleen met de waarheid kun je de dingen afronden.

Stel dat er een kar werd getrokken door een os. De wielen zijn niet lang, maar de sporen wel. Zolang de os de kar trekt, zullen de sporen volgen. De wielen zijn rond, maar de sporen zijn lang; de sporen zijn lang, maar de wielen zijn slechts cirkels. Als je naar een stilstaande kar kijkt zie je er niets langs aan, maar zodra de os begint te bewegen zie je de sporen zich achter je uitstrekken. Zolang de os trekt, blijven de wielen draaien… maar er komt een dag dat de os moe wordt en zijn tuig afwerpt. De os loopt weg en laat de lege kar achter. De wielen draaien niet meer. Na verloop van tijd valt de kar uit elkaar, zijn onderdelen gaan terug in de vier elementen – aarde, water, wind en vuur.

Op zoek naar vrede in de wereld trek je het spoor van de kar eindeloos achter je aan. Zolang je de wereld volgt is er geen stoppen, geen rust. Als je ophoudt haar te volgen, komt de kar tot rust, draaien de wielen niet meer. Het volgen van de wereld laat de wielen onophoudelijk draaien. Het creëren van slecht karma is net zo. Zolang je de oude wegen volgt is er geen stoppen. Als je stopt is er stoppen. Dit is hoe we de Dhamma beoefenen.

Voetnoten

  1. Wordt beschouwd als een delicatesse in sommige delen van Thailand. ↩︎

Bovenstaande tekst is door de redactie van buddho.org naar het Nederlands vertaald. De Engelse versie, Living in the World with Dhamma staat op ajahnchah.org.


Wil je beginnen met mediteren of ben je op zoek naar meer verdieping?
Wij bieden persoonlijke begeleiding, volledig op donatie basis.

Gratis Meditatiecursus

Over Ajahn Chah

De Eerwaarde Ajahn Chah Subhaddo (17 juni 1918 – 16 januari 1992), was een invloedrijke meditatieleraar binnen het boeddhisme en de oprichter van twee grote kloosters in de Thaise bostraditie.

Hij werd gerespecteerd en was geliefd in zijn eigen land als een man met grote wijsheid, en was instrumenteel in het vestigen van het Theravāda-boeddhisme in het Westen. Beginnend in 1979 met het oprichten van Cittaviveka (beter bekent als Chithurst Buddhist Monastery) in Groot Brittannië, heeft de Thaise bostraditie van Ajahn Chah zich door heel Europa, de VS en het Britse Gemeengoed verspreid.

De ‘Dhamma-talks’ van Ajahn Chah zijn opgenomen en vertaald in verschillende talen. Hij stond bekend om zijn simpele en heldere presentatie van de Dhamma, die zowel de lokale dorpelingen als de hoogste sociale klasse in Bangkok inspireerde. 

Hij stond ook bekend als de meester met de meeste westerse monnik-discipelen, waarvoor hij een apart klooster (Wat Pah Nanachat) opende vlakbij zijn eigen klooster Wat Nong Pah Pong. Meer dan een miljoen mensen, waaronder de Thaise Koninklijke familie, kwamen op de begrafenis van Ajahn Chah in 1992. Hij heeft een erfenis aan ‘Dhamma-talks’, leerlingen en kloosters nagelaten.

Je moet zelf de inspanning leveren, de Boeddhas wijzen slechts de weg

Boeddha, Dhp 276