Fragment uit een toespraak gegeven aan monniken en novicen in Wat Pah Pong
Vechten tegen hebzucht, vechten tegen afkeer, vechten tegen begoocheling… dat zijn de vijanden. In de praktijk van het boeddhisme, het pad van de Boeddha, vechten we voor de Dhamma, door geduldig vol te houden. We vechten door onze talloze stemmingen te weerstaan.
Dhamma en de wereld zijn met elkaar verbonden. Waar Dhamma is, is de wereld, waar de wereld is, is Dhamma. Waar bezoedelingen zijn, zijn er zij die bezoedelingen overwinnen, die ermee strijden. Dit wordt innerlijke strijd genoemd. Om naar buiten toe te vechten grijpen mensen naar bommen en geweren om te gooien en te schieten; ze veroveren en worden veroverd. Anderen veroveren is de weg van de wereld. In de beoefening van de Dhamma hoeven we niet tegen anderen te vechten, maar in plaats daarvan ons eigen bewustzijn te veroveren, door geduldig al onze stemmingen te verdragen en te weerstaan.
Bij de beoefening van de Dhamma koesteren we geen wrok en vijandschap onder elkaar, maar laten we in plaats daarvan alle vormen van kwaadwilligheid in onze eigen handelingen en gedachten los en bevrijden we onszelf van jaloezie, afkeer en wrok. Haat overwin je alleen door geen wrok en rancune te koesteren.
Kwetsende handelingen en represailles zijn verschillend, maar nauw verwant. Acties die eenmaal zijn uitgevoerd, hoeven niet te worden beantwoord met wraak en vijandigheid. Dit wordt ‘actie’ (karma) genoemd. ‘Wraak’ (vera) betekent die actie verder voortzetten met gedachten van ‘je hebt het me aangedaan dus ik ga je terugpakken’. Hier komt geen einde aan. Het leidt tot het voortdurend zoeken naar wraak, en zo wordt de haat nooit opgegeven. Zolang we ons zo gedragen blijft de ketting ononderbroken, er komt geen einde aan. Waar we ook naar toe gaan, de vete gaat door.
De verheven leraar1 onderwees de wereld, hij had mededogen voor alle wereldse wezens. Maar toch gaat de wereld zo door. De wijze moet hiernaar kijken en die dingen selecteren die van echte waarde zijn. De Boeddha had als prins getraind in de verschillende krijgskunsten, maar hij zag dat ze niet echt nuttig waren, ze zijn beperkt tot de wereld met zijn gevechten en agressie.
Daarom moeten we bij het trainen van onszelf als degenen die de wereld hebben verlaten, leren alle vormen van kwaad op te geven, al die dingen op te geven die de oorzaak zijn van vijandschap. We veroveren onszelf, we proberen niet anderen te veroveren. We vechten, maar we vechten alleen tegen de bezoedelingen; als er hebzucht is, bestrijden we die; als er afkeer is, bestrijden we die; als er begoocheling is, streven we ernaar die op te geven.
Dit wordt ‘vechten voor de Dhamma’ genoemd. Deze strijd van het hart is echt moeilijk, in feite is het het moeilijkste van alles. We worden monnik om dit te overdenken, om de kunst van het vechten tegen hebzucht, afkeer en begoocheling te leren. Dit is onze voornaamste verantwoordelijkheid.
Dit is de innerlijke strijd, vechten met bezoedelingen. Maar er zijn maar weinig mensen die zo vechten. De meeste mensen vechten met andere dingen, maar zelden met bezoedelingen. Ze zien ze zelfs zelden.
De Boeddha leerde ons alle vormen van kwaad op te geven en deugd te cultiveren. Dit is het juiste pad. Onderwijs op deze manier is alsof de Boeddha ons oppakt en ons aan het begin van het pad plaatst. Nu we het pad bereikt hebben, is het aan ons of we het bewandelen of niet. De taak van de Boeddha is daar voltooid. Hij wijst de weg, wat juist is en wat niet juist is. Dat is genoeg, de rest is aan ons.
Nu we het pad bereikt hebben, weten we nog steeds niets, hebben we nog steeds niets gezien, dus moeten we leren. Om te leren moeten we bereid zijn wat ontberingen te doorstaan, net als studenten in de wereld. Het is al moeilijk genoeg om de kennis en scholing te verwerven die nodig zijn om hun loopbaan na te streven. Ze moeten volharden. Als ze verkeerd denken of zich afkerig of lui voelen moeten ze zichzelf dwingen voordat ze kunnen afstuderen en een baan kunnen krijgen. De praktijk voor een monnik is vergelijkbaar. Als we vastbesloten zijn te oefenen en te overwegen, dan zullen we zeker de weg zien.
Diṭṭhi-māna is een schadelijk iets. Diṭṭhi betekent ‘zienswijze’ of ‘mening’. Alle vormen van visie worden diṭṭhi genoemd: goed zien als kwaad, kwaad zien als goed… hoe we de dingen ook zien. Dit is niet het probleem. Het probleem ligt bij het vasthouden aan die opvattingen, māna genaamd; het vasthouden aan die opvattingen alsof ze de waarheid zijn. Dit leidt ertoe dat we van geboorte tot dood ronddraaien en nooit de voltooiing bereiken, alleen vanwege dat vasthouden. Dus spoorde de Boeddha ons aan om opvattingen los te laten.
Als veel mensen samenwonen, zoals wij hier doen, kunnen ze nog steeds comfortabel oefenen als hun opvattingen in harmonie zijn. Maar zelfs met twee of drie monniken zou het al lastig zijn als hun zienswijzen niet deugdzaam of in harmonie met elkaar waren. Als we ons nederig maken en onze opvattingen loslaten, zelfs als we met velen zijn, komen we samen bij de Boeddha, de Dhamma en de Sangha2.
Het is niet waar om te zeggen dat er disharmonie zal zijn alleen omdat we met velen zijn. Kijk maar naar een duizendpoot. Een duizendpoot heeft veel poten, nietwaar? Je zou denken dat hij moeite heeft met lopen, maar dat is niet zo. Hij heeft zijn eigen orde en ritme. In onze praktijk is het net zo. Als we oefenen zoals de edele Sangha van de Boeddha, dan is het gemakkelijk. Dat wil zeggen, supaṭipanno – zij die goed oefenen; ujupaṭipanno – zij die rechtlijnig oefenen; ñāyaaṭipanno – zij die oefenen om lijden te overstijgen, en sāmıciaṭipanno – zij die juist oefenen. Deze vier kwaliteiten, in ons gevestigd, zullen ons tot ware leden van de Sangha maken. Ook al zijn we met honderden of duizenden, we bewandelen allemaal hetzelfde pad. We komen van verschillende achtergronden, maar we zijn hetzelfde. Ook al verschillen onze opvattingen, als we correct oefenen zal er geen wrijving zijn. Net als alle rivieren en stromen die naar de zee stromen… als ze eenmaal in de zee zijn, hebben ze allemaal dezelfde smaak en kleur. Het is hetzelfde met mensen. Als ze de stroom van Dhamma binnengaan, is het de ene Dhamma. Ook al komen ze van verschillende plaatsen, ze harmoniseren, ze versmelten.
Maar het denken dat alle geschillen en conflicten veroorzaakt is diṭṭhi-māna. Daarom leerde de Boeddha ons om opvattingen los te laten. Sta niet toe dat māna zich vastklampt aan die opvattingen buiten hun relevantie.
De Boeddha onderwees de waarde van constante sati3, herinnering. Of we nu staan, lopen, zitten of liggen, waar we ook zijn, we moeten dit vermogen tot herinnering hebben. Wanneer we sati hebben zien we onszelf, we zien ons eigen bewustzijn. We zien het lichaam in het lichaam, het bewustzijn in het bewustzijn. Als we geen sati hebben, weten we niets, zijn we ons niet bewust van wat er gebeurt.
Dus sati is heel belangrijk. Met constante sati zullen we te allen tijde luisteren naar de Dhamma van de Boeddha. Dit komt omdat ‘het oog dat vormen ziet’ Dhamma is; ‘het oor dat geluiden hoort’ is Dhamma ; ‘de neus die geuren ruikt’ is Dhamma ; ‘de tong die smaken proeft’ is Dhamma ; ‘het lichaam dat sensaties voelt’ is Dhamma ; wanneer indrukken in het bewustzijn ontstaan, is dat ook Dhamma. Daarom hoort iemand die voortdurend sati heeft altijd de leer van de Boeddha. De Dhamma is er altijd. Waarom? Vanwege sati, omdat we bewust zijn.
Sati is herinnering, sampajañña is zelfbewustzijn. Dit bewustzijn is de eigenlijke Buddho, de Boeddha. Als er sati-sampajañña is, volgt er begrip. We weten wat er aan de hand is. Als het oog vormen ziet: is dit juist of onjuist? Als het oor geluid hoort: is dit gepast of ongepast? Is het schadelijk? Is het verkeerd, is het goed? En zo verder met alles. Als we het begrijpen horen we de Dhamma de hele tijd.
Dus laten we allemaal begrijpen dat we nu midden in de Dhamma leren. Of we nu vooruit of achteruit gaan, we ontmoeten de Dhamma – het is allemaal Dhamma als we sati hebben. Zelfs als we de dieren in het bos zien rondrennen, kunnen we ons bezinnen en zien dat alle dieren hetzelfde zijn als wij. Ze vluchten voor lijden en jagen geluk na, net als mensen. Wat ze niet leuk vinden vermijden ze; ze zijn bang om te sterven, net als mensen. Als we hierover nadenken, zien we dat alle wezens in de wereld, ook mensen, hetzelfde zijn in hun verschillende instincten. Zo denken wordt bhāvanā4genoemd, zien volgens de waarheid, dat alle wezens metgezellen zijn in geboorte, ouderdom, ziekte en dood. Dieren zijn hetzelfde als mensen en mensen zijn hetzelfde als dieren. Als we de dingen werkelijk zien zoals ze zijn, zal ons bewustzijn de gehechtheid eraan opgeven.
Daarom wordt gezegd dat we sati moeten hebben. Als we sati hebben zullen we de toestand van ons eigen bewustzijn zien. Wat we ook denken of voelen, we moeten het weten. Dit weten wordt Buddho genoemd, de Boeddha, degene die weet… die grondig weet, die duidelijk en volledig weet. Wanneer het bewustzijn volledig weet, vinden we de juiste beoefening.
Dus de juiste manier om te oefenen is om mindfulness te hebben, sati. Als je vijf minuten geen sati hebt, ben je vijf minuten lang gek, vijf minuten lang achteloos. Als je geen sati hebt, ben je gek. Dus sati is essentieel. Sati hebben is jezelf kennen, de toestand van je bewustzijn en je leven kennen. Dit is begrip en onderscheidingsvermogen hebben, te allen tijde luisteren naar de Dhamma. Na het verlaten van het betoog van de leraar, hoor je nog steeds de Dhamma, want de Dhamma is overal.
Dus daarom, jullie allemaal, zorg ervoor dat je elke dag oefent. Of je nu lui bent of ijverig, oefen gewoon hetzelfde. Het beoefenen van de Dhamma gebeurt niet door je stemmingen te volgen. Als je oefent door je stemmingen te volgen dan is het geen Dhamma. Maak geen onderscheid tussen dag en nacht, of het bewustzijn vredig is of niet… beoefen gewoon.
Het is als een kind dat leert schrijven. In het begin schrijft het niet mooi – grote, lange lussen en kronkels – het schrijft als een kind. Na een tijdje wordt het schrijven beter door oefening. Het beoefenen van de Dhamma is zo. In het begin ben je onhandig… soms kalm, soms niet, je weet niet echt wat wat is. Sommige mensen raken ontmoedigd. Niet verslappen! Je moet volhouden met oefenen. Leef met inspanning, net als de schooljongen: naarmate hij ouder wordt schrijft hij steeds beter. Van slecht schrijven groeit hij naar prachtig schrijven, allemaal door de oefening van kinds af aan.
Onze beoefening is als volgt. Probeer je te allen tijde te herinneren: staand, lopend, zittend of liggend. Wanneer we onze verschillende taken soepel en goed uitvoeren, voelen we gemoedsrust. Als er gemoedsrust is in ons werk is het gemakkelijk om vreedzame meditatie te hebben, ze gaan hand in hand. Dus doe een inspanning. Jullie moeten allemaal je best doen om de beoefening te volgen. Dit is training.
Voetnoten
- Dat is de Boeddha. ↩︎
- De Drie Juwelen: De Boeddha, de Dhamma, zijn leer, en de Saṃgha, de kloosterorde, of zij die de Dhamma gerealiseerd hebben. ↩︎
- Sati: Gewoonlijk in het Engels vertaald als bewuste aandacht, is herinnering de nauwkeurigere vertaling van de Thaise woorden, ‘ra-luk dai’. ↩︎
- Bhāvanā – betekent ‘ontwikkeling’ of ‘cultivatie’; maar wordt gewoonlijk gebruikt om te verwijzen naar citta-bhāvanā, ontwikkeling van het bewustzijn, of paññā-bhāvanā, wijsheid-ontwikkeling, of contemplatie. ↩︎
Bovenstaande tekst is door de redactie van buddho.org naar het Nederlands vertaald. De Engelse versie, Dhamma Fighting staat op ajahnchah.org.
Wil je beginnen met mediteren of ben je op zoek naar meer verdieping?
Wij bieden persoonlijke begeleiding, volledig op donatie basis.
Je moet zelf de inspanning leveren, de Boeddhas wijzen slechts de weg
Boeddha, Dhp 276
