Genomen uit een toespraak gehouden in Engeland voor een westerse Dhamma-student in 1977.
Weet je waar het zal eindigen? Of blijf je gewoon zo studeren? … Of komt er een einde aan? … Dat is goed, maar het is de externe studie, niet de interne studie. Voor de interne studie moet je deze ogen, deze oren, deze neus, deze tong, dit lichaam en dit bewustzijn bestuderen. Dit is de echte studie. De studie van boeken is slechts de externe studie, het is echt moeilijk om het af te maken.
Wanneer het oog vorm ziet, wat gebeurt er dan? Als oor, neus en tong geluiden, geuren en smaken ervaren, wat gebeurt er dan? Wanneer lichaam en bewustzijn in contact komen met aanrakingen en mentale toestanden, welke reacties vinden er dan plaats? Zijn daar nog steeds hebzucht, afkeer en begoocheling? Raken we verdwaald in vormen, geluiden, geuren, smaken, texturen en stemmingen? Dit is de interne studie. Het heeft een punt van voltooiing.
Als we studeren maar niet oefenen zullen we geen resultaten boeken. Het is als een man die koeien fokt. ‘s Morgens neemt hij de koe mee naar de wei, ’s avonds brengt hij haar terug naar haar stal − maar hij drinkt nooit de melk van de koe. Studeren is goed, maar laat het niet zo zijn. Je moet de koe opvoeden en haar melk ook drinken. Je moet ook studeren en oefenen om de beste resultaten te krijgen.
Hier zal ik het verder uitleggen. Het is als een man die kippen fokt, maar de eieren niet verzamelt. Alles wat hij krijgt is de kippenmest! Dit vertel ik de mensen die thuis kippen houden. Kijk uit dat je niet zo wordt! Dit betekent dat we de schriften bestuderen, maar niet weten hoe we bezoedelingen moeten loslaten, we weten niet hoe we hebzucht, afkeer en begoocheling uit ons bewustzijn moeten ‘duwen’. Studie zonder oefening, zonder dit ‘opgeven’, brengt geen resultaten. Daarom vergelijk ik het met iemand die kippen fokt maar de eieren niet verzamelt, hij verzamelt alleen de mest. Dat is hetzelfde.
Daarom wilde de Boeddha dat we de geschriften zouden bestuderen, en vervolgens de slechte handelingen door lichaam, spraak en bewustzijn zouden opgeven; om goedheid te ontwikkelen in onze daden, spraak en gedachten. De werkelijke waarde van de mensheid zal tot bloei komen door onze daden, spraak en gedachten. Als we alleen maar praten, zonder ernaar te handelen, is het nog niet compleet. Of als we goede daden doen, maar het bewustzijn is nog steeds niet goed, dan is dit nog steeds niet compleet. De Boeddha leerde om goedheid te ontwikkelen in lichaam, spraak en bewustzijn; om goede daden, goede spraak en goede gedachten te ontwikkelen. Dit is de schat van de mensheid. De studie en de praktijk moeten beide goed zijn.
Het achtvoudige pad van de Boeddha, het pad van beoefening, kent acht factoren. Deze acht factoren zijn niets anders dan dit lichaam zelf: twee ogen, twee oren, twee neusgaten, een tong en een lichaam. Dit is het pad. En het bewustzijn is hetgeen dat het pad volgt. Daarom bestaan zowel de studie als de beoefening in ons lichaam, onze spraak en ons bewustzijn.
Heb je ooit geschriften gezien die iets anders onderwijzen dan het lichaam, de spraak en het bewustzijn? De geschriften onderwijzen alleen hierover, niets anders. Verontreinigingen worden hier geboren. Als je ze kent, sterven ze hier. Dus je moet begrijpen dat de praktijk en de studie beide hier bestaan. Als we maar zoveel studeren kunnen we alles weten. Het is als onze spraak: één woord waarheid spreken is beter dan een leven lang verkeerd spreken. Begrijp je dat? Iemand die studeert en niet oefent is als een lepel in een pot met soep. Hij zit elke dag in de pot, maar kent de smaak van de soep niet. Als je niet oefent, zelfs als je studeert tot de dag dat je sterft, zul je nooit de smaak van vrijheid kennen!
Bovenstaande tekst is door de redactie van buddho.org naar het Nederlands vertaald. De Engelse versie, Epilogue staat op ajahnchah.org.
Wil je beginnen met mediteren of ben je op zoek naar meer verdieping?
Wij bieden persoonlijke begeleiding, volledig op donatie basis.
Je moet zelf de inspanning leveren, de Boeddhas wijzen slechts de weg
Boeddha, Dhp 276
